Het recht op maatschappelijke opvang van een cliënt wordt door Centraal Onthaal vastgesteld door middel van een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo2015.

Het onderzoek naar het recht op maatschappelijke opvang bestaat in ieder geval uit een of meer gesprekken met de cliënt. Dit gesprek zal plaatsvinden in fysieke aanwezigheid van de cliënt, tenzij er gegronde redenen zijn waardoor dat niet mogelijk is.

Om het recht op opvang te kunnen vaststellen is onderdeel van het onderzoek:

  • - het vaststellen van de identiteit van de cliënt alsmede de rechtmatige verblijfstitel;
  • - het vaststellen van de laatste woonplaats van de cliënt, voorafgaand aan het ontstaan van dakloosheid teneinde te bepalen of Rotterdam de aangewezen gemeente is om het onderzoek te doen en opvang te verstrekken;
  • - de redenen van het ontstaan van de dakloosheid;
  • - of de cliënt in staat is zich op eigen kracht of met gebruikelijke hulp te handhaven in de samenleving;
  • - de mate van zelfredzaamheid (al dan niet in combinatie met de reden van dakloosheid) van de aanvrager, dat wil zeggen, conform de definitie in de Wmo2015, de mate waarin cliënt in staat is tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden;
  • - het sociaal netwerk van de aanvrager en de mate waarin dit netwerk helpend kan zijn;
  • - de aanwezigheid van voorliggende voorzieningen;
  • - de aanwezigheid van een (mogelijk voorliggende) indicatie op grond van de Wet Langdurige Zorg;
  • - de aanwezigheid van een (mogelijk voorliggende) titel op grond van de Wet Forensische Zorg;
  • - de aanwezigheid van een (mogelijk voorliggende) maatregel op grond van de Jeugdwet, zowel voor de aanvrager (als dit een jongere is) als voor de meekomende minderjarige kinderen van de aanvrager
  • - de ondersteuningsbehoefte en problematiek op meerdere leefgebieden;
  • - op welke wijze de cliënt in zijn bestaansmiddelen voorziet, zoals werk;
  • - indien de opvang wordt gevraagd door een gezin wordt tevens de situatie van de minderjarige kinderen van de aanvrager onderzocht, alsmede de vraag onder wiens ouderlijk gezag of voogdij de kinderen vallen en verantwoordelijkheid voor hen dragen.