Maatschappelijke opvang kan worden verstrekt aan de cliënt wanneer er aan een aantal voorwaarden is voldaan. Uit het onderzoek dient te blijken dat de cliënt een ingezetene van Nederland is. Dat wil zeggen dat er sprake is van rechtmatig verblijf in Nederland, een vast te stellen identiteit, en de persoon is of was ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP), dan wel op een vast woonadres of een briefadres. Dit betreft een algemene voorwaarde om voor een Wmo-maatwerkvoorziening in aanmerking te komen.

Ook dient de cliënt dak- of thuisloos te zijn, geen feitelijke verblijfplaats te hebben, de thuissituatie te hebben verlaten en niet in staat te zijn zich op eigen kracht, met gebruikelijk hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit diens sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Ook kan gelden dat er nog sprake is van een tijdelijke verblijfplaats, maar deze op zeer korte termijn verlaten moet worden of dat deze verblijfplaats onveilig is.

De opvang wordt tevens geboden aan minderjarige kinderen die onder het ouderlijk gezag van de cliënt staan en feitelijk bij de cliënt verblijven op het moment dat dakloosheid aantreedt. De ouder(s) en minderjarige kinderen worden daarbij niet van elkaar gescheiden. Wanneer er sprake is van gescheiden ouders worden de afspraken over de verdeling van het ouderschap door de ouders zoveel als mogelijk nageleefd en door de opvangaanbieder zoveel als mogelijk gefaciliteerd.