Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als:

a.. aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 13. en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

b.. aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 15. en openbaar vervoer ontbreekt tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van vervoer per fiets;

c.. aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening op grond van artikel 15. en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouder(s) of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een anders oplossing niet mogelijk is;

d.. de leerling, naar het oordeel van het college gelet op een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken; of

e.. dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.