1.. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een school voor speciaal basisonderwijs bezoekt, van wie het gezinsinkomen meer bedraagt dan het in artikel 4., zevende lid van de Wet op het primair onderwijs genoemde bedrag van € 31.500 (prijspeil 2025) wordt het door het college vastgestelde maximaal aantal kilometers, zijnde in dit geval twee keer 6 kilometer per dag gerekend van de woning dan wel de opstapplaats, in mindering gebracht op de kilometervergoeding.

2.. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een school voor speciaal basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11. lid 1 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 31.500 tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van deze bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.

3.. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 11. lid 1 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

4.. Het inkomensbedrag van € 31.500 genoemd in het eerste en tweede lid, wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 31.500.

5.. Op verzoek van de ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

6.. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, of wanneer er sprake is van pleegzorg.