De burgemeester stelt periodiek vast of de inzet van cameratoezicht nog gerechtvaardigd en doelmatig is. Hiertoe maakt de burgemeester gebruik van daarvoor bestemde evaluatie-instrumenten.
Structureel cameratoezicht wordt daartoe geëvalueerd binnen een termijn van vier jaar na de aanvang van de maatregel, conform artikel 2:77B, tweede lid, van de APV. Halverwege deze periode vindt een tussentijdse evaluatie plaats.
Bij de evaluatie wordt ten minste beoordeeld of het toezicht nog steeds als passende maatregel kan worden beschouwd in het licht van de handhaving van de openbare orde. Daarbij voert de burgemeester wederom met de officier van justitie en de politie, om gezamenlijk te beoordelen of de maatregel in verhouding staat tot het beoogde effect, en of aanpassing, voortzetting of beëindiging aan de orde is. Tevens wordt in het evaluatieverslag aandacht besteed aan de aspecten van privacy en schijnveiligheid, zoals voorgeschreven in artikel 2:77b, derde lid, van de APV.
Tijdelijk cameratoezicht wordt geëvalueerd voordat de maximale looptijd van één jaar is verstreken. De burgemeester beoordeelt vervolgens of de maatregel kan worden beëindigd of dat verlenging gerechtvaardigd is op grond van de actuele situatie met betrekking tot de openbare orde. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld om de maatregel nader te begrenzen en beter af te stemmen op de situatie ter plaatse.
Bij de evaluatie van het cameratoezicht beoordeelt de burgemeester niet alleen of de inzet van het toezicht nog doelmatig en proportioneel is in het licht van de openbare orde, maar ook of de apparatuur in de praktijk functioneert conform de gestelde eisen. Daarbij wordt nagegaan of de technische inrichting, positionering en beveiliging van de camera’s nog voldoen aan de geldende normen, zoals bedoeld in artikel 10 van deze beleidsregel. Indien uit de evaluatie blijkt dat verbetermaatregelen nodig zijn – bijvoorbeeld naar aanleiding van de uitkomsten van technische controles of beveiligingstests – draagt de burgemeester zorg voor het treffen van passende maatregelen binnen zijn verantwoordelijkheidsdomein.
De verantwoordelijkheid voor de verwerking van camerabeelden, waaronder de wijze van opslag, inzage, analyse en beveiliging, berust bij de politie. Deze beoordeelt zelfstandig of de verwerking plaatsvindt conform de eisen uit de Wpg en neemt waar nodig passende maatregelen.
Indien de burgemeester besluit het cameratoezicht te verlengen, wordt een nieuw aanwijzingsbesluit genomen. Dit besluit wordt overeenkomstig artikel 8 van deze beleidsregel bekendgemaakt.
Hoofdstuk
Artikel 15
De periodieke voortgangsrapportage
Onderdeel van Beleidsregel cameratoezicht handhaving openbare orde gemeente Apeldoorn 2025