Duurzaamheid is een belangrijk thema bij het realiseren van toekomstbestendige onderwijshuisvesting. Met het Klimaatakkoord van Parijs (2015) en vanuit Europese regelgeving vraagt dit van maatschappelijk vastgoed, en daarmee onderwijs, om een verantwoord gebruik van beschikbare energiebronnen. Op deze manier wordt de invloed van klimaatverandering op de mens en milieu zoveel mogelijk beperkt.
Vanuit de huidige wet- en regelgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)) is het verplicht om bij nieuwbouw een bijna energieneutraal gebouw (BENG) te realiseren en ook dat dit gebouw aardgasvrij is. In dit IHP geldt het advies om een stap extra te nemen en te bouwen volgens ENG (Energieneutraal Gebouw). De reden hiervoor is dat met een ‘minimale’ investering een grote kwaliteitsslag richting de toekomst kan worden gemaakt door de gebouwgebonden energieverbruik te minimaliseren tot nul.
De gemeente is verantwoordelijk voor de wettelijke investering. Het is aan het schoolbestuur of zij willen investeren in de stap van BENG naar ENG (mits passend binnen wet- en regelgeving).
Voor renovatie geldt dat de ambitie van BENG beargumenteerd benaderd moet worden tot het niveau dat de te plegen investeringen in verhouding staan tot de opbrengsten. Voor alle bestaande gebouwen geldt dat deze pas aardgasloos worden zodra vanuit de warmtetransitie zich een kans voordoet bij de spreekwoordelijke voordeur van het gebouw 9 De kosten voor het aardgasloos maken van gebouwen is niet meegenomen in de financiële doorrekening van het IHP omdat deze kosten te ongewis zijn. Daarnaast is eerst zicht op de warmtetransitie en de vorm van warmteopwekking nodig voordat zinvolle investeringsramingen kunnen worden gemaakt..
EPBD IV: Zero Emission Building (ZEB)
De Energy Performance of Buildings Directive IV (EPBD IV) is een Europese richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen. Lidstaten hebben tot mei 2026 de tijd om de richtlijn om te zetten naar nationale wetgeving.
De EPBD IV stelt als einddoel een emissievrije gebouwenvoorraad in 2050, met tussendoelen die helder maken wat op weg daarnaartoe nodig is. Dit betekent de overgang van de huidige BENG-eisen (Besluit bouwwerken en leefomgeving) naar ZEB (Zero Emission Building). Een ZEB-gebouw voldoet aan 4 aspecten:
- - Heeft zeer weinig energie nodig heeft voor verwarming en/of koeling.
- - Beschikt over efficiënte installaties.
- - Is vrij van fossiele emissies op het eigen perceel (‘aardgasvrij’).
- - Voorziet in de benodigde energie zoveel mogelijk uit hernieuwbare energie door opwek op of bij het gebouw of via lokale warmtenetten.
In Nederland wordt momenteel gewerkt aan de vertaling van de richtlijn in nationale regelgeving. Bij een actualisering van het IHP is meer duidelijk over de praktische uitvoering. Wel kan er nu uitgegaan worden van de verplichting van ZEB voor alle nieuwe schoolgebouwen vanaf 1 januari 2030.
Netcongestie
Een aandachtspunt vormt de netcongestie. Het advies is om vroegtijdig te inventariseren welke mogelijkheden er zijn binnen het elektriciteitsnetwerk. Netcongestie verlangt op gebouwniveau een grote reductie van de energiebehoefte (c.q. belasting van het netwerk). In het gehele ontwikkelproces van het Programma van Eisen (PvE) tot en met ontwerp en uitvoering dient hiermee rekening gehouden te worden.
Een extra focuspunt hierbij is dat bij de keuze van een technische installatie geborgd moet worden dat deze installatie kan voldoen aan de eisen van onderwijs en kinderopvang, zowel bij de definitieve stroomaansluiting als bij tijdelijke voorzieningen tijdens de overbruggingsperiode tot de vaste aansluiting.
Andere onderwerpen die vanuit duurzaamheid van belang zijn:
Klimaatadaptatie
Het klimaat verandert doordat de temperatuur op aarde stijgt. Deze klimaatverandering is inmiddels duidelijk waarneembaar, zoals extreme buien, lange perioden van droogte en hitte. Klimaatadaptatie is een instrument waarbij de samenleving zich aanpast aan het veranderende klimaat, waardoor klimaatbestendigheid ontstaat. Het onderwerp klimaatadaptatie raakt aan verschillende andere (beleids)velden. Belangrijke relaties zijn er onder andere met groenvoorziening, gebruik en inrichting van de openbare ruimte, bebouwing, (regen)wateroverlast en droogte. Voor de schoolomgeving is het van belang om te anticiperen op meer groen (daar waar mogelijk met biodiversiteit) en het verminderen van bestaande verharding en/of het tegengaan van nieuwe verharding, bijvoorbeeld een groen schoolplein of door regenwater zichtbaar op de schoollocatie zelf te bergen.
Watersystemen
Een opkomende ontwikkeling is het gebruik van regenwateropvangsystemen om toiletten op scholen door te spoelen. Deze systemen vangen regenwater op van daken en andere oppervlakken en slaan dit op in ondergrondse tanks. Het opgeslagen water kan vervolgens worden gebruikt voor sanitaire voorzieningen, zoals het doorspoelen van toiletten. Door regenwater in te zetten voor deze toepassingen, wordt het drinkwaterverbruik aanzienlijk verminderd, wat niet alleen leidt tot duurzamer waterbeheer maar ook tot lagere exploitatiekosten voor de scholen. Bovendien helpt het gebruik van regenwater om de druk op het lokale watersysteem te verlichten, vooral tijdens droge periodes. Deze ontwikkeling draagt bij aan de bredere inzet van milieuvriendelijke en kostenefficiënte oplossingen binnen de onderwijssector.
Daarnaast wordt er steeds meer aandacht besteed aan de implementatie van grijswatersystemen, waarbij licht vervuild water, zoals afkomstig van wastafels, wordt hergebruikt voor niet-drinkbare toepassingen. Deze technologieën dragen bij aan het verminderen van de ecologische voetafdruk van schoolgebouwen en passen binnen een bredere trend naar milieubewuste en duurzame oplossingen in de gebouwde omgeving.
Bovengenoemde duurzaam bouwen waarbij zodanig gebouwd en ingericht wordt dat een gebouw bijdraagt aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Natuurinclusief bouwen draagt ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving waaronder de gezondheid van bewoners, bevordering van sociale (en duurzame) contacten, bevordering van toerisme, het temperen van de temperatuur in een stad en verminderen van de luchtvervuiling in de stad.
Een voorbeeld in relatie tot onderwijs- en kinderopvanghuisvesting kan zijn een beweegvriendelijk gebouw of het aantrekkelijk maken van de omgeving voor insecten.
TCO-benadering
De kosten van een gebouw bestaan niet enkel uit de bouwkosten tijdens de realisatiefase van het proces. Tijdens de levensduur van het gebouw komen daar ook kosten bij voor het beheer en exploitatie (lees: de instandhouding, een school bestuurlijke verantwoordelijkheid). Het concept ‘Total Cost of Ownership’ (TCO) gaat hier over en tracht de totale eigendomskosten over de gehele levensduur in beeld te brengen. Om goed in beeld te krijgen hoeveel een gebouw kost over zijn gehele levensduur is het belangrijk om de overige eigendomskosten ook duidelijk te hebben. Dit kan namelijk gevolgen hebben voor keuzes tijdens het ontwerpproces.
Materialen, installaties of producten kunnen bij de aanschaf of installatie duurder zijn maar minder onderhoud nodig hebben of langer meegaan waardoor de totale kosten minder blijken. Hierbij valt te denken aan onderhoudsvrije vloeren of installaties die lagere energiekosten hebben. Dit vraagt om een andere manier van kijken naar gebouwen en hun levensloop. Op projectniveau moeten hiervoor keuzes worden gemaakt. Als bij een project dat voortkomt uit het IHP een haalbaarheidsonderzoek gedaan wordt, zal TCO in dit onderzoek worden meegenomen. Dit haalbaarheidsonderzoek kan ook gebruikt worden als onderbouwing voor de (eventuele) bijdrage vanuit het schoolbestuur, passend binnen de kaders van het onderwijsaccountantsprotocol 10 Het accountantsprotocol is de schakel tussen enerzijds de wet- en regelgeving en anderzijds de uit te voeren werkzaamheden door instellingsaccountants. Het geeft een toelichting op het te hanteren referentiekader, de controle op de jaarrekening, het onderzoek naar de bekostigingsgegevens en de gewenste accountantsproducten (www.onderwijsinspectie.nl/onderwijsaccountantsprotocol 2023)..
watersystemen brengen doorgaans meerkosten met zich mee. Per project bespreken gemeente en schoolbestuur of de aanleg van een dergelijk watersysteem haalbaar is en welke gevolgen dit heeft voor de investering en de exploitatie van het gebouw.
Circulaire economie
Een circulaire economie draagt bij aan de afname in het gebruik van fossiele energiedragers als grondstof (zoals aardolie voor plastic). Vanuit milieudoelstellingen kan het een afweging zijn om voor nieuwe en bestaande gebouwen te gaan werken met een registratie in een grondstoffendatabank. Dit bevordert het hergebruik van grondstoffen wat de duurzaamheid ten goede komt. 11 Als circulariteit op termijn een verplichting wordt dan heeft dit punt aandacht.
Natuurinclusief bouwen
Dit is een vorm van duurzaam bouwen waarbij zodanig gebouwd en ingericht wordt dat een gebouw bijdraagt aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Natuurinclusief bouwen draagt ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving waaronder de gezondheid van bewoners, bevordering van sociale (en duurzame) contacten, bevordering van toerisme, het temperen van de temperatuur in een stad en verminderen van de luchtvervuiling in de stad.
Een voorbeeld in relatie tot onderwijs- en kinderopvanghuisvesting kan zijn een beweegvriendelijk gebouw of het aantrekkelijk maken van de omgeving voor insecten.
TCO-benadering
De kosten van een gebouw bestaan niet enkel uit de bouwkosten tijdens de realisatiefase van het proces. Tijdens de levensduur van het gebouw komen daar ook kosten bij voor het beheer en exploitatie (lees: de instandhouding, een school bestuurlijke verantwoordelijkheid). Het concept ‘Total Cost of Ownership’ (TCO) gaat hier over en tracht de totale eigendomskosten over de gehele levensduur in beeld te brengen. Om goed in beeld te krijgen hoeveel een gebouw kost over zijn gehele levensduur is het belangrijk om de overige eigendomskosten ook duidelijk te hebben. Dit kan namelijk gevolgen hebben voor keuzes tijdens het ontwerpproces.
Materialen, installaties of producten kunnen bij de aanschaf of installatie duurder zijn maar minder onderhoud nodig hebben of langer meegaan waardoor de totale kosten minder blijken. Hierbij valt te denken aan onderhoudsvrije vloeren of installaties die lagere energiekosten hebben. Dit vraagt om een andere manier van kijken naar gebouwen en hun levensloop. Op projectniveau moeten hiervoor keuzes worden gemaakt. Als bij een project dat voortkomt uit het IHP een haalbaarheidsonderzoek gedaan wordt, zal TCO in dit onderzoek worden meegenomen. Dit haalbaarheidsonderzoek kan ook gebruikt worden als onderbouwing voor de (eventuele) bijdrage vanuit het schoolbestuur, passend binnen de kaders van het onderwijsaccountantsprotocol 11 Het accountantsprotocol is de schakel tussen enerzijds de wet- en regelgeving en anderzijds de uit te voeren werkzaamheden door instellingsaccountants. Het geeft een toelichting op het te hanteren referentiekader, de controle op de jaarrekening, het onderzoek naar de bekostigingsgegevens en de gewenste accountantsproducten (www.onderwijsinspectie.nl/onderwijsaccountantsprotocol 2023)..
Overweging: koeling
Het koelen van een schoolgebouw is bij langdurige hitte een steeds groter (maatschappelijk) probleem. Door de toenemende warmte worden gebouwen zonder koeling overdag steeds warmer. Hierdoor kan een situatie ontstaan waarin de lesruimte geen gezonde leer- en werkomgeving meer is. Met de opwarming en hetere aanloopperiode tot aan de zomervakantie is dit een reëel vraagstuk.
- - Bestaande bouw: om een gebouw optimaal te koelen is het van belang om te kijken naar de ‘schil’. Wanneer de ‘schil’ van het gebouw optimaal is geïsoleerd blijft de warmte buiten het gebouw. Oplossingsrichtingen zijn: (na-)isoleren van de buitengevel, spouw en dak.
- - Nieuwbouw: bij nieuwbouw wordt reeds rekening gehouden met de huidige isolatiewaarden. Een extra optie is het gebruikmaken van natuurlijke bouwmaterialen zoals hout.
Overweging: prestatie afspraken
Bij het opleveren van nieuwe installaties is het aan te raden om prestatieafspraken te maken ten aanzien van (maximum) temperatuur, relatieve luchtvochtigheid, maximale CO2 waardes en luchtverversing. Op deze manier zijn scholen voor een lange duur verzekerd van kwaliteit. Per project wordt gekeken op welke manier dit vorm krijgt.