In de late middeleeuwen zette de bevolkingsgroei door en ontstond de noodzaak om nieuwe gronden buiten de beekdalen te ontginnen. Vanuit de beekdalen werden de plateaus op een systematische wijze ontgonnen. Op de plateaus en vlakke hellingen met löss concentreerde zich de akkerbouw. In de nattere beekdalen lagen de graslanden. De steilere hellingen waren ongeschikt voor de landbouw en bleven bebost. Vanuit de beekdalen werden op de plateaus nieuwe nederzettingen gesticht, zoals Ubachsberg.
Kastelen
Uit de opdeling van de Frankische koningsgoederen uit de vroege middeleeuwen ontwikkelde zich het zogenaamde feodale stelsel met zijn standenmaatschappij. Feodaliteit betekent dat macht, bestuur en samenleving zo georganiseerd waren, dat er over en weer afspraken gemaakt werden tussen hogere en lagere standen in de maatschappij. Kreeg iemand van lagere stand bijvoorbeeld een boerderij in gebruik (‘in leen’), dan was hij in ruil daarvoor verplicht zijn heer in tijden van oorlog militair bij te staan. Bij de kleine landadel ontstond in de 11e en 12e eeuw de behoefte om verdedigingswerken aan te leggen, vooral in het zeer feodale Limburg. Zo werden mottes en donjons gebouwd. Stenen gebouwen (vaak van Kunradersteen) gingen een steeds prominentere plaats innemen in het landschap. Dat waren onder andere boerderijen, kerken en kastelen.
De oudste versterkte woonhuizen of kastelen lagen op hooggelegen plaatsen. Het kasteel van Valkenburg is een voorbeeld van zo’n hoogteburcht. In Voerendaal zijn van dit type geen voorbeelden bekend. Latere kastelen lagen in lage en natte gebieden, waarin een waterhoudende gracht als belangrijkste verdedigingswerk kon worden aangelegd. Alle kastelen in Voerendaal zijn zogenaamde waterburchten (figuur 12). Bij de meeste grotere middeleeuwse heerlijkheden hoorde een kasteel. Van een heerlijkheid spreken we, als de mogelijkheid om recht te spreken van een hogere aan een lagere heer in gebruik gegeven was. Naast woonplaats van de heer vormde zo’n kasteel dan het bestuurlijk centrum van de heerlijkheid en een strategisch bolwerk ter verdediging van het gebied. Veel kastelen en versterkte plaatsen werden verwoest tijdens de Limburgse Successie-oorlog van 1238 tot 1288. Na de 14e eeuw raakten kastelen echter in onbruik vanwege de onverdedigbaarheid tegen kanonnen.
Figuur 12. Kasteel Cortenbach Voerendaal (figuur ontleend van https://www.visitzuidlimburg.nl).
Bijzonder aan Voerendaal is de grote concentratie kastelen. In de gemeente zijn niet minder dan tien kastelen bekend, waarvan er zes nog bestaan. De oudste vermeldingen van de kastelen (zie figuur 13) onderschrijven dat de lager gelegen kastelen relatief jonger zijn dan de hoogteburchten. Dat er in Voerendaal nog zoveel kastelen zijn is waarschijnlijk een combinatie van factoren. In Zuid-Limburg komen voor Nederlandse begrippen sowieso veel kastelen voor omdat hier lange tijd sprake is geweest van versnipperd grondbezit. Diverse landsheren maakten hier de dienst uit en wilden hun bezittingen veiligstellen met een kasteel. In het heuvelachtige Zuid-Limburg is het noordelijk deel van de gemeente Voerendaal relatief vlak en hier komen ook veel beken voor. Dit was dus de ideale plaats om een waterburcht aan te leggen en daarom staan er hier dan ook zo veel. De laatste factor die meespeelt bij waarom er in Voerendaal zoveel kastelen zijn, is dat er simpelweg relatief weinig kastelen verdwenen zijn. Dus er wáren al veel kastelen en daarvan zijn er ook nog eens veel bewaard gebleven.
Figuur 13. Kastelen in de gemeente Voerendaal, geprojecteerd op de hoogtekaart. Duidelijk is dat de kastelen allemaal relatief laag in het landschap lagen. Het jaartal geeft de oudste vermelding aan (gegevens: Hupperetz e.a., 2005).
Kerken
Vanwege verwoesting of verbouwing gaan slechts weinig gebouwen in de gemeente terug tot de middeleeuwen. De belangrijkste uitzonderingen zijn, naast de kastelen, de twee oudste kerken van de gemeente. De Sint-Laurentiuskerk in Voerendaal stamt uit de 11e eeuw. Ze is in 1049 door paus Leo IX ingezegend en is daarmee de enige kerk in Nederland die door een paus is ingezegend (figuur 14). De paus was dat jaar in Aken, als onderdeel van zijn reizen door Europa om na de verwoestingen door de Noormannen het geloof in deze streken nieuw leven in te blazen. In het gevolg van de paus bevond zich bisschop Udo van Toul, die in Voerendaal uitgestrekte bezittingen had. Waarschijnlijk is op zijn verzoek de paus naar Voerendaal gekomen.
Het schip van de kerk is enkele keren vernieuwd, maar de toren is altijd gebleven en is daarmee een van de oudste gebouwen in de gemeente. Vanuit deze oudste kerk in de regio zijn later de kerken van Heerlen en Welten gesticht.7 Stichting Databank Kerkgebouwen in Limburg, 2014a. De kerk is gewijd aan de heilige Laurentius van Rome († 258), een martelaar uit de Romeinse tijd. Sint Laurentius werd gemarteld op een rooster boven een vuur. Halverwege zou hij gezegd hebben “deze kant is gaar, draai me maar om”.
Figuur 14. Opschrift aan de binnenzijde van de toren in de Laurentiuskerk die melding maakt van inzegening door paus Leo IX in 1049 (foto: RAAP, 21-03-2025).
Bijna een eeuw na de wijding van de kerk in Voerendaal werd in Klimmen de Sint-Remigiuskerk gesticht op gronden die sinds 968 het klooster van Saint-Remi te Reims toebehoorden. Vanuit het klooster werden de gronden ontgonnen en bij deze nieuwe ontginning hoorde ook een kerk. De ruïne van een oud gebouw – mogelijk een Romeinse wachttoren – werd aangepast tot kerktoren en aan de oostzijde werd een schip tegen de toren gebouwd. De kerk werd in 1288 door brand verwoest maar zo’n 40 jaar later herbouwd.8Stichting Databank Kerkgebouwen in Limburg, 2014b. Remigius van Reims (436-533) was in tegenstelling tot Laurentius geen martelaar uit de Romeinse tijd, maar een bisschop uit de Frankische tijd.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.4
Artikel 2.4.2
Late middeleeuwen (1050-1500 na Christus)
Onderdeel van Erfgoednota gemeente Voerendaal