1. Het dagelijks bestuur zendt de kadernota vóór 1 februari met hierin een ontwerp van het meerjarenbeleidsplan voor de komende periode toe aan de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en aan het dagelijks bestuur van de RDWI.
2. Het ontwerpbeleidsplan wordt voor een ieder, tezamen met de ontwerpbegroting, ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de wet is overeenkomstig van toepassing.
3. De raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van de RDWI kunnen binnen 8 weken na toezending van de kadernota bij het dagelijks bestuur hun zienswijze kenbaar maken. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren, waarin de zienswijze zijn vervat, bij het ontwerp van het meerjarenbeleidsplan, voorzien van terugkoppeling, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het dagelijks bestuur informeert de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van de RDWI overeenkomstig artikel 10 lid 6 van de Wgr voordat het algemeen bestuur besluit omtrent de vaststelling van het meerjarenbeleidsplan.
4. Het algemeen bestuur stelt het beleidsplan uiterlijk vast op 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor het beleidsplan moet dienen.
5. Het algemeen bestuur stelt op basis van het beleidsplan, het bedrijfsplan van de RID vast. Wensen van deelnemers die afwijken van de algemene beleidslijn, worden opgenomen in het bedrijfsplan en door de RID uitgevoerd. Eventuele bijkomende kosten worden door de deelnemer voldaan. Op de financiële gevolgen hiervan is artikel 23 lid 4 van toepassing.
6. Het dagelijks bestuur bereidt het beleidsverslag over het afgelopen jaar voor. Het beleidsverslag wordt ter vaststelling aan het algemeen bestuur voorgelegd dat er vóór 15 september over beslist.
7. Het dagelijks bestuur zendt het beleidsplan en beleidsverslag binnen twee weken na vaststelling aan de deelnemers.
8. Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden, alsmede het dagelijks- en algemeen bestuur van de deelnemers betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
9. In afwijking van het achtste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen.
10. Het negende lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken.
11. Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het negende of het tiende lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
HOOFDSTUK 7:
Artikel 21:
Beleidsplan en beleidsverslag (kadernota)
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling RID Utrecht”.