1. Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van de RID voor het komende kalenderjaar, vergezeld van een memorie van toelichting alsmede de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), toe aan de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en het dagelijks bestuur van de RDWI. Artikel 190 lid 1 van de wet is van toepassing.
2. De ontwerpbegroting wordt door de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de wet is van overeenkomstige toepassing.
3. De raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van de RDWI kunnen binnen 12 weken na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze kenbaar maken. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het dagelijks bestuur informeert de raden van de gemeenten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van de RDWI overeenkomstig artikel 35 lid 4 van de Wgr voordat het algemeen bestuur besluit omtrent vaststelling van de begroting.
4. Na vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur zendt het dagelijks bestuur de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
5. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen zo mogelijk van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de wijzigingen die geen invloed hebben op de bijdragen van de deelnemers.
HOOFDSTUK 8:
Artikel 22:
Begrotingsprocedure
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling RID Utrecht”.