Naar hoofdinhoud
Bij het beoordelen van het levensgedrag en de bedrijfsvoering wordt gekeken naar uiteenlopende feiten en omstandigheden die iets zeggen over het gedrag en/of de bedrijfsvoering van de betrokkene. Er moet voldoende vertrouwen kunnen worden gesteld in exploitanten en leidinggevenden. Bij de beoordeling wordt vooral gekeken naar (mogelijk) gepleegde strafbare feiten, maar ook bijvoorbeeld de omstandigheid dat iemand liegt over relevante feiten en omstandigheden kan worden meegewogen bij de toets op het levensgedrag en de bedrijfsvoering. Om van slecht levensgedrag te kunnen spreken moet het gaan om gedragingen waarvan het voor een ieder evident is dat daarmee niet aan de voorwaarde van het ‘’niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’’ zijn, is voldaan. In vaste rechtspraak 2 RvS 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1144. is aan de motiveringsplicht nadere invulling gegeven middels drie voorwaarden. Relevantie De burgemeester motiveert waarom de feiten en omstandigheden die aan zijn oordeel over het levensgedrag ten grondslag liggen in dat concrete geval relevant zijn voor de exploitatie van een openbare inrichting, bedrijf of evenement. Die feiten en omstandigheden moeten verband houden met de vraag of de inrichting kan worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, openbare orde en het woon- en leefklimaat. Evidentie De burgemeester motiveert hoe de betrokkene vooraf had kunnen weten dat hij, gezien de feiten en omstandigheden, niet aan de voorwaarde van zedelijk gedrag voldoet. De burgemeester moet kunnen aantonen dat betrokkene vooraf had kunnen weten dat sprake is van onzedelijk gedrag. Om dit aan te kunnen nemen moet bijvoorbeeld reeds een waarschuwing zijn gegeven aan de betrokkene of valt dit te herleiden uit de ernst van het feit. Evenredigheid De burgemeester motiveert waarom de feiten en omstandigheden waarop hij zijn weigering baseert niet gering zijn (zie 6.1. onder 1) en waarom deze, ondanks een bepaald tijdsverloop, nog steeds iets zeggen over de betrouwbaarheid van betrokkene om een inrichting op verantwoorde wijze te exploiteren. Feiten en omstandigheden die wel kunnen leiden tot het oordeel dat de aanvrager van slecht levensgedrag is, mogen niet gedurende een onredelijk lange periode in de weg blijven staan aan verlening van de gevraagde vergunning (zie 6.1. onder 4). De bovengenoemde motiveringsplicht is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de bedrijfsvoering.

Rechtspraak bij dit artikel