In de regio van de ODWH is sprake van een gevarieerd bodemlandschap en een breed scala aan bedrijvigheid. Dit zorgt voor een complexe situatie rondom bodembescherming. Tot voor kort was de ODWH verantwoordelijk voor het uitvoeren van bodembeheer volgens de Wet bodembescherming (Wbb) voor zowel de provincie Zuid-Holland als de gemeente Leiden. Met de komst van de Omgevingswet zijn de meeste bevoegdheden voor bodemtaken overgegaan naar de gemeenten, die de uitvoering grotendeels hebben gemandateerd aan de ODWH.
Bijzondere aandacht is er voor de zogenaamde ernst- en spoedlocaties. Op deze locaties bestaat het risico van verdere verspreiding van bodemverontreiniging, wat mogelijk nadelige gevolgen kan hebben voor mens, plant en dier. Deze locaties vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet, waardoor de regels van de Wbb hier nog steeds van kracht zijn en het bevoegd gezag bij de provincie of gemeente Leiden blijft. In de regio West-Holland zijn er ongeveer dertig van deze ernst- en spoedlocaties. Om deze risico’s effectief aan te pakken, is het programma Spoed en Nazorg opgezet, dat zich richt op het beheersen en saneren van de verontreiniging.
In Leiden en de stedelijke agglomeratie rondom Leiden is het Leids Uitvoeringsprogramma Bodem en Ondergrond 2023-2030 (LUBO) van kracht, dat specifiek gericht is op de aanpak van bodemverontreiniging binnen deze dichtbevolkte gebieden. Daarnaast vindt er in het plassengebied en veenweidegebied veel grondverzet plaats. Toezicht op deze werkzaamheden wordt uitgevoerd op basis van de eisen voor milieubelastende activiteiten, zoals vastgelegd in het Bal en het Aanvullingsbesluit bodem. Deze regelgeving dekt onder andere activiteiten als graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en het gebruik van bouwstoffen.
Om toezicht en handhaving te verbeteren, is het risicomodel RUN-Bodem ontwikkeld. Het RUN biedt een regionale methode die in samenwerking met de vier andere Omgevingsdiensten in Zuid-Holland en de provincie is opgesteld. Deze methode dient als basis om regionaal en risicogericht te bepalen waar en wanneer periodiek, steekproefsgewijs of projectmatig toezicht nodig is in het bodemwerkveld. Zo kan op efficiënte en effectieve wijze worden toegezien op activiteiten die mogelijk belastend zijn voor het milieu.
De RUN-Bodem beschrijft het kader voor toezicht en handhaving van bodemtaken onder de Omgevingswet en het Overgangsrecht van de Wbb. Het doel is om milieu-, veiligheids- en gezondheidsrisico’s op een aanvaardbaar niveau te houden binnen de regio West-Holland. Door de programmatische aanpak van de ODWH wordt een specifieke risicomethodiek toegepast voor bodemtoezicht, die is toegespitst op de risico’s die de grootste impact op het leefmilieu hebben. Voor andere thema’s en programma’s worden andere methodieken gehanteerd die beter bij die specifieke vraagstukken aansluiten.
De gekozen risicomethodiek binnen het RUN biedt de mogelijkheid om op basis van objectieve eisen te bepalen bij welke initiatieven toezicht gehouden moet worden en hoe dit toezicht uitgevoerd dient te worden. Hierdoor draagt de ODWH bij aan de kwaliteit van de leefomgeving, het voorkomen van milieuschade en het aanpakken van relevante milieuproblemen.
Het RUN is ontworpen om een efficiënt en doelgericht toezicht mogelijk te maken, waarbij prioriteit wordt gegeven aan risico’s die het leefmilieu in aanzienlijke mate kunnen beïnvloeden. Het risicomodel maakt het mogelijk om aan de hand van objectieve criteria en gestandaardiseerde methoden te bepalen welke initiatieven grondig worden gecontroleerd en welke wijze van controle het meest geschikt is voor elk geval.
In bijlage 3 - RUN-Bodem model is schematisch weergegeven hoe het toezicht binnen het Bodemwerkveld risicogericht wordt uitgevoerd. Daarnaast vinden ook periodiek zogenaamde veldcontroles plaats. Dit om ervoor te zorgen dat ook niet gemelde MBA’s bodem kunnen worden ontdekt.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2
Artikel 3.2.4
Toezicht bodem
Onderdeel van Nota Advisering, Uitvoering (regulering en toezicht) en Handhaving 2025