In het kader van het strategisch voorraadbeleid (paragraaf 3.2) wordt de niet-kernportefeuille jaarlijks herijkt. Per object wordt beoordeeld of het alsnog ten behoeve van een beleidsdoel aan de kernportefeuille kan worden toegevoegd, tijdelijke ingezet kan worden of als ontwikkelvastgoed kan worden gebruikt. Het vastgoed verplaatst dan naar de passende categorie met de bijbehorende uitgangspunten. Is daar geen sprake van, dan wordt geprobeerd het vastgoed af te stoten conform de uitgangspunten van dit Vastgoedbeleid.