Het omgevingsplan is net als de omgevingsvisie, de programma’s een kerninstrument van de Omgevingswet. Het omgevingsplan is het meest centrale instrument voor de decentrale regelgeving op gemeentelijk niveau en bevat de meest relevante regels voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet bepaalt in artikel 2.3 bij wijze van uitwerking van het subsidiariteitsbeginsel dat de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet wordt overgelaten aan de bestuursorganen van de gemeente. De gemeente is daardoor de belangrijkste regelgever op het terrein van de fysieke leefomgeving waarbij het omgevingsplan de meeste regels bevat.
Anders dan de omgevingsvisie en de programma’s die zelf bindend zijn voor de gemeente, zijn de regels uit het omgevingsplan algemeen verbindende voorschriften. Dat wil zeggen dat deze regels eenieder binden, niet alleen burgers, bedrijven en organisaties, maar ook de overheid zelf. De gemeente neemt het initiatief tot het opstellen van een omgevingsplan. Dit in tegenstelling tot een omgevingsvergunning waartoe het college alleen op aanvraag kan besluiten. Het besluit dat het college op een dergelijke aanvraag neemt, heet een beschikking; deze bindt slechts de geadresseerde, doorgaans de aanvrager van de betreffende omgevingsvergunning. Anders dan de regels van een gewone verordening, zijn de regels van het omgevingsplan appellabel. Degene die in zijn belang geraakt wordt door een regel van een omgevingsplan kan daartegen opkomen bij de rechter. Daardoor is een omgevingsplan niet altijd meteen onherroepelijk nadat de gemeenteraad – of onder de Omgevingswet in sommige gevallen het college – het omgevingsplan heeft vastgesteld.
3.2.2.1 Doel omgevingsplan en ETFAL
Het omgevingsplan dient dezelfde maatschappelijke doelen als waarvoor de Omgevingswet gegeven is en waartoe ook de andere kerninstrumenten van de wet strekken. Aan het begin van dit hoofdstuk zijn deze doelen opgenomen. Belangrijk bij het omgevingsplan is verder dat de wet bepaalt dat het omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels bevat die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is het centrale beginsel van het omgevingsplan dat ook wel wordt afgekort tot ETFAL. Niet alleen bij een omgevingsplan, maar ook bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit die buitenplans is, een zogeheten buitenplanse omgevingsplanactiviteit, afgekort Bopa, toetst de gemeente of sprake is van ETFAL. Concreet toetst de gemeente dan bijvoorbeeld of de functies die zij toelaat op één locatie elkaar wel verdragen en niet onevenredig hinderen. Zowel bij het omgevingsplan als bij de omgevingsvergunning kan de gemeente dan zo nodig maatwerk qua normering leveren in de vorm van maatwerkvoorschriften bij de omgevingsvergunning en maatwerkregels bij het omgevingsplan. Dergelijke regels die heel simpel en praktisch kunnen zijn, strekken er dan bijvoorbeeld toe de ervaren hinder tot aanvaardbare proporties terug te dringen. De gemeente is daarmee ook de meest flexibele regelgever op het terrein van de fysieke leefomgeving.
3.2.2.2 Één omgevingsplan voor het hele grondgebied
Elke gemeente heeft één omgevingsplan voor het hele grondgebied. Hierin wijkt het omgevingsplan af van het bestemmingsplan dat vaak voor een bepaald gebied of project werd opgesteld, met als gevolg, veel postzegelplannen met onderlinge verschillen in normstelling. De regels van het omgevingsplan gelden in principe overal maar kunnen ook per locatie verschillen als dat nodig of wenselijk is. Het omgevingsplan wijzigt wel geregeld op onderdelen, maar de nieuwe regels worden dan geconsolideerd in het reeds bestaande plan opgenomen. Het plan kan regels bevatten voor een bepaald gebied met een duidelijk samenhangend karakter, bijvoorbeeld bouwregels voor bestaand bebouwd gebied, of regels over een bepaald thema dat geldt in de hele gemeente, bijvoorbeeld parkeren. De regels van het omgevingsplan gaan altijd over de fysieke leefomgeving, wat een ruimer begrip is dan de regels over ruimtelijke ordening in bestemmingsplannen. Delen van andere gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zullen daarom te zijner tijd overgaan naar het omgevingsplan. De Omgevingswet geeft in artikel 1.2 een omschrijving van wat de fysieke leefomgeving in ieder geval omvat. Concreet zien de regels die een ieder direct binden op activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Tegelijkertijd, deelt de gemeente in het plan ook bepaalde functies toe aan locaties en verbindt zij daar vervolgens in de regels consequenties aan. Wijst zij bijvoorbeeld de functie natuur toe aan een locatie, dan kan zij bepaalde activiteiten die schade kunnen toebrengen aan die natuur beperken op die locatie.
3.2.2.3 Aangewezen procedure voor RvhL projecten
Een Ruimte voor het Landschap project vindt zijn neerslag in een wijziging van het omgevingsplan. Op de locatie waar de transformatie plaatsvindt wordt de functie veranderd van agrarisch bedrijf naar wonen op het agrarisch erf en naar weide op het omringende land. De gemeente kan dit doel niet bereiken middels het verlenen van een omgevingsvergunning omdat zij daarmee wel activiteiten kan toestaan, maar niet als geheel verbieden als het plan die activiteiten nog toestaat door wat voorheen de bestemming was en onder de Omgevingswet de functie.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.2
Artikel 3.2.2
Het omgevingsplan
Onderdeel van Nota Ruimte voor het Landschap 2026