1.. Het college neemt het onderzoeksrapport, als bedoeld in artikel 6, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

2.. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van:

  • - eigen kracht en/of;
  • - gebruikelijke hulp en/of;
  • - mantelzorg en/of;
  • - hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
  • - algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
  • - algemene voorzieningen en/of;
  • - andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw.

3.. Bij de bepaling van de eigen kracht wordt van de cliënt verwacht dat hij alles doet wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om tot een oplossing van zijn ondersteuningsvraag te komen. Verder wordt in ieder geval onderzocht in hoeverre:

  • - het sociaal netwerk in staat is de noodzakelijke ondersteuning te bieden;
  • - het sociaal netwerk redelijkerwijs beschikbaar is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden;
  • - het bieden van de ondersteuning door het sociaal netwerk leidt tot overbelasting.

4.. Voor gebruikelijke hulp wordt in de regel geen maatwerkvoorziening verstrekt. Wat onder gebruikelijke hulp aan de cliënt met een hulpvraag valt is afhankelijk van:

  • - de relatie tussen degene die de ondersteuning biedt en de cliënt met een hulpvraag;
  • - de aard van de ondersteuning;
  • - de frequentie en het patroon van de ondersteuning;
  • - de duur van de ondersteuning.

5.. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst-adequate voorziening.

6.. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

7.. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als en voor zover de cliënt in staat is om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden.

8.. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat de cliënt met een hulpvraag in beginsel en na zorgvuldige afweging van de belangen van de cliënt met een hulpvraag en zijn omgeving alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:

  • - de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt met een hulpvraag redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en
  • - niet voorzienbaar was.

9.. Een noodzakelijke vervangende maatwerkvoorziening wordt verstrekt, als:

  • - de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven;
  • - de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt met een hulpvraag zijn toe te rekenen;
  • - de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt met een hulpvraag aan maatschappelijke ondersteuning.

10.. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst-adequate oplossing is.

11.. Het college kan nadere regels vaststellen ter aanvulling op de algemene criteria voor maatwerk.

12.. Tot de maatwerkvoorzieningen kunnen, indien noodzakelijk voor het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie, behoren:

  • - een tegemoetkoming voor verhuizing en (woning)inrichting;
  • - een voorziening gericht op maatschappelijke participatie, waaronder indien noodzakelijk een sportvoorziening. De aard en hoogte van deze voorzieningen worden door het college vastgesteld in de nadere regels.