Dit artikel geeft aan hoe een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening wordt vastgesteld. De bepalingen in lid 1, 2 en 3 zijn overgenomen uit het WVG-verstrekkingenbeleid.

Voor overige vervoersvoorzieningen lag in de WVG het primaat bij bruikleen. Het persoonsgebonden budget wordt berekend op basis van de kosten die de gemeente zou betalen aan de gecontracteerde leveranciers voor een naturaverstrekking. Daarbij is vaak sprake van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Als een voorziening niet kan worden geleverd door deze leveranciers wordt het budget bepaald aan de hand van een of meerdere offertes. Het college financiert op basis van de goedkoopste adequate voorziening.

Voor onderhoud, reparatie en keuring wordt een bedrag berekend op basis van de gemiddelde onderhoudskosten voor de betreffende voorzieningen per jaar. Deze bedragen zijn af te leiden uit de contracten met de door de gemeente gecontracteerde leveranciers.