Voor nieuwe standplaatsvergunningen geldt eveneens een looptijd van 10 jaar. Bij de bepaling van deze termijn is aangesloten bij dezelfde economische onderbouwing als bij de overgangstermijn. Uit het eerder genoemde SEO-onderzoek blijkt dat de gemiddelde terugverdientijd van investeringen in standplaatsen tussen de 8 en 11 jaar ligt. Die bandbreedte is niet alleen relevant voor bestaande vergunninghouders, maar geeft ook richting aan wat economisch gezien een reële exploitatieduur is voor nieuwe toetreders.
De Apeldoornse situatie wijkt, zoals hiervoor gemotiveerd, niet wezenlijk af van het landelijke beeld waarop het onderzoek is gebaseerd. Ook nieuwe standplaatshouders zullen in de regel investeren in verkoopwagens, installaties, inrichting en het opbouwen van een vaste klantenkring op een specifieke locatie. Een vergunningduur moet daarom voldoende lang zijn om deze investeringen op een bedrijfseconomisch verantwoorde wijze terug te verdienen. Ook hier wijzen we op het feit dat in het SEO rapport bij de bepaling van de vergunningsduur rekening is gehouden met verschillende typen standplaatsen, waaronder vaste en seizoensgebonden standplaatsen. Het SEO-onderzoek waarop deze termijnen zijn gebaseerd, omvat zowel jaarrond geëxploiteerde standplaatsen als standplaatsen met een seizoensgebonden karakter.
Ook hier hebben we gekeken naar de rapportage uit Amsterdam naar de vergunningduur voor oliebollenkramen.
Tegen deze achtergrond is gekozen voor een looptijd van 10 jaar. Deze termijn ligt binnen de objectief vastgestelde bandbreedte van 8 tot 11 jaar en sluit aan bij de gemiddelde terugverdientijd. Daarmee wordt ondernemers voldoende investeringszekerheid geboden om kwaliteit te leveren en duurzaam te ondernemen. Tegelijkertijd blijft de vergunning in tijd begrensd, zodat standplaatslocaties periodiek opnieuw kunnen worden verdeeld en het uitgangspunt van eerlijke mededinging bij schaarse vergunningen wordt gewaarborgd.
Een kortere looptijd, bijvoorbeeld 8 jaar, zou zich aan de onderkant van de vastgestelde bandbreedte bevinden en kan de investeringsbereidheid negatief beïnvloeden, met name bij hogere aanvangsinvesteringen. Een langere looptijd, zoals 12 jaar of meer, overstijgt de economisch onderbouwde terugverdientijd en zou ertoe leiden dat gemeentelijke standplaatslocaties langer dan noodzakelijk aan de mededinging worden onttrokken.