In de gemeente Bergeijk gebeurt al veel op het gebied van preventieve gezondheid (hoofdstuk 2). Maar zoals uit de cijfers blijkt (hoofdstuk 3) valt er nog genoeg te doen om de gezondheid van onze inwoners te verbeteren. In aansluiting op het landelijk gezondheidsbeleid definiëren we gezondheid als meer dan ‘niet ziek zijn’. Gezondheid gaat ook over veerkracht, over meedoen in de maatschappij, over betekenisvol werk of andere activiteiten en over de omgeving waarin je leeft. Mensen zijn er in beginsel zelf verantwoordelijk voor dat ze gezond eten, goed voor zichzelf zorgen, voldoende bewegen, sociale contacten onderhouden en naar school of werk gaan. Maar niet iedereen leeft in de omstandigheden om zelf gezonde keuzes te maken en de dagelijkse verleidingen te weerstaan. Sommige mensen hebben daarvoor te weinig grip op hun gezondheid en missen het vermogen om die grip te vergroten. Ook is er een grote groep mensen met een beperking, die niet zonder meer in staat zijn om mee te doen in de maatschappij. De problemen die achter een verminderde gezondheid schuilgaan, gaan verder dan het gezondheidsdomein. Armoede, schulden, problemen rondom huisvesting, eenzaamheid, werkloosheid, een beperking, een lage opleiding of de kwaliteit en de inrichting van de leefomgeving hebben allemaal invloed op hoe gezond je bent en hoe gezond je je voelt. Mensen in een kwetsbare situatie hebben daardoor een hoger risico op een slechtere gezondheid. Hun problemen bevinden zich op verschillende beleidsdomeinen en vragen dan ook om oplossingen die domein overstijgend zijn, zowel op rijksniveau als bij gemeenten. En bij voorkeur niet door te reageren op gezondheidsproblemen, maar door preventief beleid waarmee we voorkomen dat die problemen ontstaan of groter worden.

In het Nationaal preventieprogramma en het Kempisch sport- en beweegakkoord wordt er naar gestreefd om met elkaar een omslag te bereiken van ad hoc initiatieven naar een breed gedragen, integrale en samenhangende aanpak, die evidence-based is. Samenwerking met de wetenschap (Nationale Wetenschapsagenda) en kennisinstituten is daarbij van groot belang, zodat beleid, praktijk en wetenschap verbonden worden en een lerend proces ontstaat. Kempenbranie#, maar ook het project “Gezond ouder worden van ouderen met een lage sociaal economische positie” zijn daar al mooie voorbeelden van. Samen met onze partners zoals het Trimbos-instituut, de GGD-Bzo en het RDC kunnen we ook in Bergeijk het proces van meten-acties-meten-bijsturen et cetera waarmaken.

In hoofdstuk 6 zullen aangeven hoe we dit willen gaan doen.