1.. De gemeente voert in beginsel een eigen Bibob-onderzoek uit indien op grond van:

  • - eigen ambtelijke informatie en/of;
  • - informatie afkomstig van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC en/of;
  • - een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of;
  • - een tip van de officier van justitie (OM-tip), of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze Wet, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet en/of;
  • - situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of;
  • - overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

2.. De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren indien:

  • - het vastgoedobject, zoals een gebouw of een stuk grond, gebruikt wordt of gebruikt gaat worden voor één of meerdere activiteiten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1), en/of;
  • - in het kader van de vastgoedtransactie sprake is van één of meerdere risico-indicatoren (bijlage 2), en/of;
  • - het vastgoedobject is gevestigd in één van de door het bestuursorgaan aangewezen risicogebieden.

3.. De gemeente kan tevens een eigen Bibob-onderzoek starten indien:

  • - het vastgoedobject naar oordeel van de gemeente een symbolische waarde heeft, dan wel belangrijk is voor het imago van de gemeente, en/of;
  • - er ook een aanvraag voor een vergunning of subsidie is of wordt gedaan (zie hoofdstuk 2 van deze beleidsregel), en/of;
  • - blijkt dat er een wijziging in de bedrijfsstructuur (wijziging Bibob-relaties) heeft plaatsgevonden, en/of;
  • - er sprake is van een situatie anders dan hierboven genoemd, waarbij de gemeente bevoegd is tot het toepassen van de Wet Bibob.

4.. De gemeente kan nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, periodiek een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren op momenten zoals in de overeenkomst is bepaald.