Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3

Artikel 23

Spreekrecht burgers in de raad

Onderdeel van Verordening inhoudende het reglement van orde voor de werkwijze van de gemeenteraad en de raadscommissies 2007

1. In een raadsvergadering kunnen burgers het woord voeren uitsluitend over een onderwerp dat op de agenda staat voor die vergadering. 2. Burgers kunnen niet het woord voeren over: 1. een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep bij de rechter openstaat, of heeft opengestaan; 2. benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; 3. een klacht die ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend. 3. Degene, die van het spreekrecht in de raadgebruik wil maken, meldt dit tenminste 8 uur vóór aanvang van de vergadering aan de raadsgriffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wil voeren. 4. De voorzitter van de vergadering geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 5. Een spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter van de vergadering kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximumduur van de spreektijd. 6. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter van de vergadering hem dit heeft verleend. De voorzitter geeft vervolgens de raadsleden de gelegenheid tot het stellen van vragen aan de inspreker. Het is aan de voorzitter om te bepalen, gelet op de beschikbare tijd, wanneer dit onderdeel ten einde is. 7. De voorzitter van de vergadering of een lid van de raad doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de burger.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel