De leidinggevende beoordeelt het functioneren van de medewerker aan de hand van

  • - de functie-eisen die zijn opgenomen in de functiebeschrijving,
  • - het daarbij behorend competentieprofiel en
  • - de schriftelijke afspraken die tussen medewerker en leidinggevende zijn gemaakt over de beoordelingsperiode, met name ten aanzien van de werkresultaten en de ontwikkeling.

Aan de hand van het competentieprofiel en de ontwikkelingsafspraken worden de competenties beoordeeld:

  • - Voldoet niet, indien de score overwegend onder het beoogd niveau is;
  • - Voldoet niet geheel, indien het beoogd niveau niet volledig wordt waargemaakt;
  • - Voldoet, indien het beoogd niveau volledig of meer dan volledig wordt waargemaakt;
  • - Overtreft, indien er overwegend op een hoger niveau dan beoogd wordt gescoord waarbij tevens sprake is van duidelijk of actief voorbeeldgedrag op de desbetreffende competenties en dit hogere niveau meerwaarde heeft voor de functie.

Aan de hand van de functiebeschrijving, werkpakket en de resultaatafspraken worden de werkresultaten beoordeeld:

  • - Voldoet niet, indien over de hele linie sprake is van tekortschietende kwaliteit of kwantiteit of een patroon van fouten, klachten of incidenten;
  • - Voldoet niet geheel, indien op het punt van kwaliteit of kwantiteit of opgedragen taken sprake is van incidentele tekortkomingen, fouten, klachten of incidenten;
  • - Voldoet, indien de werkresultaten over de hele linie conform de gemaakte afspraken zijn;
  • - Overtreft, indien de geleverde werkresultaten substantieel van hogere kwaliteit en/of grotere kwantiteit zijn, ofwel regelmatig extra inzet wordt getoond of werkresultaten spraakmakend, verrassend of opvallend zijn in positieve zin.

De leidinggevende gaat bij de beoordeling zoveel mogelijk uit van zijn eigen ervaringen en maakt zo mogelijk gebruik van de ervaringen van door hem aan te wijzen informanten. De beoordeling zelf blijft de verantwoordelijkheid van de leidinggevende.

De beoordeling heeft louter betrekking op het functioneren van de medewerker in de voor de beoordeling vastgestelde beoordelingsperiode. De duur van de beoordelingsperiode is in principe een jaar. Hiervan kan de leidinggevende na overleg met de medewerker afwijken, bijvoorbeeld na indiensttreding, wijziging van de functie of langdurige afwezigheid van de medewerker wegens ziekte.