Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 7:

Artikel 7.2

Hoogte financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget vervoersvoorzieningen

Onderdeel van Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011 (WMO)

Dit artikel bepaalt de hoogte van de financiële tegemoetkomingen voor vervoersvoorzieningen. De opgenomen regels en bedragen zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten: Voor de vergoeding van de kosten van een bruikleenauto of in bruikleen verstrekte gesloten buitenwagen wordt aangesloten bij de kilometervergoedingen op grond van de Wet Rea. Deze zijn neergelegd in de Beleidsregels normbedragen voorzieningen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen die periodiek in de Staatscourant wordt gepubliceerd. In beginsel wordt 2.500 kilometer vergoed. De verordening voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de individuele vervoersbehoefte duidelijk hoger is (b.v. ter voorkoming van een sociaal isolement), een hogere vervoersvergoeding te verstrekken. Indien beide echtgenoten in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening bedraagt de hoogte van de financiële tegemoetkoming per persoon maximaal 75 procent van hetgeen waar zij individueel recht op zouden hebben. Lid 1 De vergoedingen bestaan uit een vast gedeelte en een gedeelte dat na declaratie wordt vergoed. Wanneer de vergoeding wordt verleend aan of ten behoeve van het vervoer van een kind tussen de 4 en 12 jaar dan bestaat recht op 50% van de in lid 1 genoemde bedragen. Een kind jonger dan 4 jaar heeft geen zelfstandige vervoersbehoefte. Voor een kind van deze leeftijd kan geen vervoersvoorziening worden verleend. Bij de aanwezigheid van meerdere kinderen waarvoor een vervoersvoorziening wordt verleend, wordt de vergoeding gemaximeerd op 75% van 50% van de in lid 1 gevonden bedragen, derhalve per saldo maximaal 35% per kind. Wanneer twee echtgenoten of partners beiden in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, dan bedraagt de vergoeding per persoon maximaal 75% van de in lid 1 genoemde bedragen. Lid 2 De financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een eigen auto, vervoer derden of vervoer regiotaxi wordt gekort met 25 procent per jaar indien de persoon tevens beschikt over een vervoersvoorziening in natura (b.v. scootermobiel of handbike) (lid 2). Hoewel een scootermobiel of een handbike met name is bedoeld voor het vervoer op de korte afstand is een dergelijke voorziening ook geschikt voor de langere afstand en wordt daarvoor in de praktijk ook veelal gebruikt. Het is dan reëel een korting te hanteren op de vervoersvergoeding. Hiermee wordt immers voorkomen dat aan deze personen meer vervoersmogelijkheden worden geboden dan aan personen die niet beschikken over een dergelijke vervoersvoorziening. Lid 3 In het derde lid zijn nog enkele financiële tegemoetkomingen gemaximeerd. Voor wat betreft de vergoeding voor een aangepaste auto wordt aangesloten bij de Beleidsregels normbedragen voorzieningen van het UWV. Alleen de kosten boven de genormeerde prijs van een referentie-auto worden vergoed. Voor de vergoeding van begeleidingskosten wordt aangesloten bij de vergoeding op grond van de Wet Rea. Deze is neergelegd in de Beleidsregels normbedragen voorzieningen van het Instituut Werknemersverzekeringen die periodiek in de Staatscourant wordt gepubliceerd. sub e Als de kosten van onderhoud en reparatie hoger zijn dan € 500,- per kalenderjaar dan dient vooraf toestemming te worden gevraagd aan het college. Wanneer de kosten zonder voorafgaande toestemming van het college desondanks zijn gemaakt, dan is de vergoeding nimmer hoger dan € 500,-. Lid 5 Het persoonsgebonden budget voor een aangepaste auto wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst adequate voorziening zoals opgenomen in de offerte van een erkend aanpassingsbedrijf welke door het college moet worden geaccordeerd. Ook bij het pgb voor deze voorziening wordt slechts rekening gehouden met de kosten boven het normbedrag van een referentie-auto zoals gehanteerd door het UWV (Beleidsregels normbedragen voorzieningen UWV).

Rechtspraak bij dit artikel