Lid 1
Voor het recht op een vervoersvoorziening mag het inkomen kort gezegd niet hoger zijn dan 1,5 maal het norminkomen.
Bij het bepalen van het inkomen voor het recht op een vervoersvoorziening worden de pensioenvrijlating (artikel 33 lid 5 WWB) en de financiële tegemoetkoming AOW (artikel 31 lid 2 sub p) buiten beschouwing gelaten.
Lid 2
Dit lid bepaalt hoe het inkomen voor het recht op een vervoersvoorziening wordt vastgesteld. Hoofdregel is dat het netto-inkomen in acht wordt genomen. Met ingang van 1 januari 2007 wordt bij de berekening van het netto inkomen volledig aangesloten bij de bepalingen omtrent inkomen van de Wet werk en bijstand (WWB).
Bepalend is over het algemeen het netto loon op het loonstrookje vóór aftrek van inhoudingen vanwege bijvoorbeeld beslag of een spaarloonregeling. In die gevallen waarin de hoogte van de vakantietoeslag niet bekend is, kan deze als regel op 8 procent van de netto-inkomsten worden gesteld.
Bedrijfsspaarregelingen, zoals een spaarloonregeling, een premieregeling of een winstdelingsregeling, hebben tot doel het vergroten van het eigen vermogen en kunnen door de werkgever worden ingesteld. Door deelname aan deze regelingen wordt een deel van het loon of de ondernemingswinst naar een geblokkeerde spaarrekening overgemaakt. Telkens na vier jaar mag de rekeninghouder beschikken over het in een bepaald jaar overgehevelde loon of ondernemingswinst. Als de belanghebbende maandelijks heeft gespaard dan wordt het bedrag ook maandelijks gedeblokkeerd. Aangezien de deelname aan deze regelingen vrijwillig is, wordt bij de vaststelling van het netto-inkomen uitgegaan van het nettoloon dat zou zijn ontvangen indien de persoon niet aan de spaarloonregeling had deelgenomen. Zonodig zal het college de persoon om een aparte loonspecificatie van de werkgever verzoeken.
Daarnaast wordt het inkomen uit vermogen vrijgelaten voor zover dit betrekking heeft op een vermogen dat lager is dan de vermogensgrens op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Men spreekt in dit verband ook wel van bescheiden vermogen. De vermogensgrenzen in de WWB worden jaarlijks per 1 januari aangepast en verschillen per leefvorm. Voor gehuwden en alleenstaande ouders geldt een hogere vermogensgrens dan voor alleenstaanden. Door in het tweede lid aan te sluiten bij de vermogensgrenzen in de WWB en door het noemen van een percentage van 10 procent wordt per saldo bereikt dat het inkomen uit vermogen alleen in aanmerking wordt genomen voor dat deel van het vermogen dat substantieel meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens op grond van de WWB.
Lid 4 en 5
Bij een vast inkomen volstaat onderzoek naar het inkomen over één maand. Bij wisselende inkomsten vindt vaststelling van het inkomen plaats op basis van de inkomsten over de laatste 3 maanden, direct voorafgaand aan de aanvraag of heronderzoek.
HOOFDSTUK 7:
Artikel 7.3
Vaststellen inkomen voor toets recht op vervoersvoorziening
Onderdeel van Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011 (WMO)