Het is verboden in of nabij woningen dieren te houden, op
een dusdanige wijze dat dit voor de omgeving en/of
omwonenden hinderlijk of schadelijk is.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt slechts, nadat
de betrokkene door het college is aangeschreven, dat dit
verbod ten aanzien van de in die aanschrijving te noemen
diersoorten van toepassing is. Degene tot wie de
aanschrijving is gericht of diens rechtsopvolger is
verplicht de aanschrijving op te volgen.
Het college is bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde
plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing
van overlast of van schade aan de openbare gezondheid
verboden is daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben,
dan wel deze aanwezig te hebben in door het college te
benoemen aantallen en/of omstandigheden die aanleiding geven
tot overlast of schade aan de volksgezondheid.
Het is verboden op een krachtens het derde lid aangewezen
plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide
dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben
anders dan met inachtneming van de door het college gestelde
regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan
door hen is aangegeven.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
gelegen binnen een krachtens het derde lid aangewezen
gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het
vierde lid gestelde verbod.
Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
milieubeheer van toepassing is.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 11
Artikel 2:60
Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Culemborg 2011-1