Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 25

Arbeids- en/of re-integratieverplichting (doelmatigheid)

Onderdeel van Verzamelverordening WWB

-- Weigeren algemeen geaccepteerde arbeid Het verwijtbaar weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangemerkt als zeer zware tekortkoming. Dit gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de uitkerings-gerechtigde om al datgene te doen wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Een tekortkoming van deze aard druist zo in tegen het centrale uitgangspunt van de WWB tot participatie naar vermogen, dat standaard een verlaging van de uitkering wordt toegepast van 100% voor de duur van één maand. Deze maatregel wordt redelijk en billijk geacht, omdat de belanghebbende door het wijzigen van diens opstelling, houding of gedrag zelf in het bestaan kan voorzien. -- Niet behouden algemeen geaccepteerde arbeid Bij het verwijtbaar niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid wordt de uitkering verlaagd met 50% voor 2 maanden. Het naar duur uitsmeren van de (oude) 100% sanctie voor 1 maand in een 50% sanctie voor 2 maanden houdt verband met het feit, dat het gemis aan inkomen uit het niet behouden van betaald werk als regel niet meer is terug te draaien (voldongen feit). Om deze reden past een verlaging met 50% voor 2 maanden beter binnen de inkomenswaarborg van de WWB en het te voeren armoedebeleid. Let op: De persoon die weigert terug in dienst te treden bij de werkgever die het ontslag heeft verleend of waarbij ontslag is genomen, wordt voor het toepassen van het sanctie-beleid aangemerkt als een persoon die algemeen geaccepteerde arbeid weigert. Pas als vaststaat dat terugkeer bij dezelfde werkgever niet mogelijk is, is het niet behouden van die arbeid de rechtsgrond voor sanctie. -- participatiepiramide (belemmeren participatie anderszins). De arbeids- en re-integratieverplichting omvat mede de verplichting tot medewerking aan het vaststellen van de inzetbaarheid in werk of scholing. Hieronder begrepen het meewerken aan (arbeidsmedisch) onderzoek of indicatie-stelling naar de mogelijkheden daartoe, uitbesteed aan derden en het ondersteunen of aanbieden van een voorziening die garantie biedt op die arbeid dan wel een verhoogd perspectief geeft op uitstroom naar die arbeid. Het niet nakomen van de verplichting tot medewerking aan onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling wordt aangemerkt als gedrag dat inschakeling in de arbeid belemmert (anders dan het weigeren of niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid). Op het niet nakomen van deze medewerkingverplichting is dan ook het sanctiebeleid voor het anderszins niet voldoen aan de arbeids- en/of re-integratieverplichting onverminderd van toepassing. Ook hier geldt meer in het algemeen: hoe hoger het perspectief op uiteindelijk uitstroom naar betaalde arbeid, hoe hoger de sanctie (het naar boven afwijken van het minimum percentage binnen een gegeven bandbreedte). De sancties met betrekking tot het anderszins belemmeren van de arbeids- en/of re-integratieverplichting zijn gekoppeld aan de participatiepiramide. Deze piramide is opgebouwd uit de lagen regulier werk, gesubsidieerd werk en maatschappelijk nuttige activiteiten. Belanghebbenden zijn binnen deze piramide te plaatsen naar het principe iedereen doet mee naar vermogen. Dus ook de persoon van wie redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij/zij zelfs na intensieve begeleiding en scholing regulier betaald werk kan vinden. Het re-integratiebeleid richt zich mede op het verhogen van hun participatiegraad. Hierbij speelt voor personen met een arbeidshandicap het afbakenen met de per 2008 gemoderniseerde Wsw een rol. Om deze reden is voorzien in een medewerkingverplichting tot het kunnen vaststellen van een Wsw-indicatie. Voor het indelen van een belanghebbende naar de gelaagdheid van de piramide zijn bepalend de inspannings-verplichting om zelf in het bestaan te voorzien en de belastbaarheid. Dit verloopt langs de weg van het opleggen of ontheffen van de arbeids- en/of reintegratieverplichting. Hiermee is de positie van belanghebbende op de participatiepiramide tevens redelijkerwijs bepalend voor de hoogte van een sanctie. De veelheid aan mogelijkheden tot participatie naar en door werk vereisen een sanctiebeleid dat daarop makkelijk inspeelt. Hierbij geldt, dat geen sanctie is op te leggen bij het ontbreken van verwijtbaarheid. Het kunnen leveren van maatwerk is gerealiseerd via het werken met band-breedtes waarbinnen een sanctie zich kan bewegen. Evenredigheid tussen verwijtbaar feit en toe te passen sanctie vereist, dat binnen de gegeven bandbreedte het minimumpercentage als uitgangspunt telt. Hiervan is gemotiveerd af te wijken. Zo komt het maximum van de verlaging binnen de gegeven bandbreedte meer in zicht naar de mate waarin een noodzakelijke ondersteuning of voorziening wordt geweigerd. Van belanghebbenden wordt verlangd dat zij zich constructief opstellen ten aanzien van hun participatie en dat zij extra zorgvuldig omspringen met de hun in dat verband geboden kansen. Hierbij de opmerking dat het bij het aanbieden van een voorzienig rekening gehouden wordt met hun wensen en mogelijkheden, voor zover dit de kortste weg naar werk niet onredelijk belemmert. Deze aanpak moet voorkomen dat bij het aanbieden en uitvoeren van een voorziening klanten wegblijven die daartoe mogelijk onvoldoende in staat zijn. Voorkomen moet worden dat de uitkering wordt verlaten zonder te werken of te studeren. Het verhoogde risico op een zwervend bestaan vereist een scherp oog voor kwetsbare klanten. Het verlagen van de uitkering bij het verwijtbaar niet, niet tijdig of in onvoldoende mate meewerken aan participatie omvat mede de presentatie, houding en gedrag bij het nakomen van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling. Het om deze redenen niet werkwillig zijn of verwijtbaar werk-loos blijven, valt binnen de reikwijdte van het sanctiebeleid. Hiermee blijft onverkort het uitgangspunt van de WWB, IOAW, IOAZ in stand, dat verwijtbare werkloosheid gevolgen heeft voor de uitkering. Het verlagen van de uitkering is gekoppeld aan de plaats van de klant op de participatiepiramide en de afspraken vastgelegd in de polis. Voor het niet nakomen van activiteiten op de basis- en middenlaag van de piramide (regulier dan wel gesubsidieerd werk) gelden hogere sancties dan die voor activiteiten op de toplaag (maatschappelijk zinvolle activiteiten). De sancties op de basislaag voor participatie door onbeloonde arbeid zijn afgestemd op het perspectief op doorstroom naar regulier betaald werk. Het vaststellen van dat perspectief is te herleiden uit de aangeboden voor-ziening. Hoog perspectief op uitstroom bieden onder meer: de activiteiten van de matchingsunit, voorzieningen die een garantiebaan in het vooruitzicht stellen en re-integratietrajecten met hoog uitstroompercentage naar regulier betaald werk (onder meer het project Trom en het project Wonen Zorg Service in de Wijk). Laag perspectief op uitstroom is te herleiden uit de aard en het doel van de verwijzing. Is sprake (geweest) van een ontheffing van de re-integratie verplichting. Is ook gesubsidieerd werk aangeboden. Betaald gesubsidieerd werk zit meer tegen het maximum van de bandbreedte dan sociale activering. Meer in het algemeen is de onder-verdeling in 'sociale activering' is een indicator. Is sprake van maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsparticipatie of op maatschappelijke participatie. Voorzieningen tot maatschappelijke participatie hebben vooralsnog geen perspectief op regulier betaald werken. Deze voorzieningen zijn bedoeld voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt van wie niet kan worden verwacht dat zij op (korte) termijn doorstromen naar reguliere arbeid. Het streven naar het verhogen van hun participatie rechtvaardigt evenwel een niet te vrijblijvende ondersteuning of aan te bieden voorziening. De sancties voor deze doelgroep zijn gematigd. Deze doelgroep mist als regel de mogelijkheid om een sanctie ongedaan te maken door daar een inkomen uit werk tegenover te stellen. Het college is overigens steeds bevoegd om een sanctie in te trekken als de belanghebbende zijn gedrag in de door de gemeente gewenste zin aanpast. Bepalend voor de hoogte van de sanctie is ook de plaats/ positie van de belanghebbende in een traject. Bij aanvang van een traject geldt meestal eerder het minimum van de bandbreedte dan bij activiteiten aan het eind ervan. Dan is het perspectief op doorstroom naar een vervolgtraject of uitstroom uit de bijstand mede bepalend voor de hoogte van de sanctie binnen de gestelde bandbreedte. Hoe verder op weg naar uitstroom: hoe zwaarder de sanctie. Het naar boven afwijken van het minimumpercentage binnen een gegeven bandbreedte moet voldoende worden gemotiveerd. Ook de in de WWIK vastgelegde inspanningsverplichting om met kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien, heeft een vrijwillig maar niet vrijblijvend karakter. Zeker als een kunstenaar zelf verzoekt om aanbieding van een voor-ziening gericht op het bevorderen van inschakeling in de arbeid in het kader van de uitoefening van een gemende beroepspraktijk. Op het verwijtbaar niet nakomen van een desgevraagd aangeboden voorziening, is het voor de WWB vastgestelde sanctiebeleid voor doelmatigheid (arbeids-/ re-integratieverplichting) van overeenkomstige toepassing. Dit geldt ook als de gemeente uit eigen initiatief aan de kunstenaar een voorziening aanbiedt gericht op inschakeling in de arbeid. Zo'n aanbod wordt als regel gedaan tegen einde van de maximale uitkeringsduur WWIK en is gericht op het voorkomen van afhankelijkheid van de bijstand. Hoe dichter tegen dat einde, hoe hoger het maximum van de sanctie in de betreffende bandbreedte in beeld komt. Vanaf de dag van melding tot het aanvragen van bijstand is de kunstenaar zonder meer verplicht het aanbod te aan-vaarden (artikel 9 van de WWB). Hier hoeft het aanbod niet langer gericht te zijn op het uitoefenen van een gemengde beroepspraktijk. In deze situatie is het sanctiebeleid voor doelmatigheid zonder meer van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel