1.Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het
oordeel van het college
gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor
vermeerdering van de
iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het
college is aangeschreven,
verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:
indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;
of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
of zodanig te behandelen dat
verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
van geheel ontschorst
iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm,
voorhanden of in voorraad te
hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
verbod.
HOOFDSTUK 4. › Paragraaf 4
Artikel 4.4.8
Bestrijding iepziekte
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010