Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Ingangsdatum en tijdvak

Onderdeel van Verordening afstemming van bijstand 2007

De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Tenzij het betreft het onverantwoord interen van het vermogen wordt de maatregel opgelegd: voor de duur van een kalendermaand, wanneer sprake is van een eerste verwijtbare gedraging; voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging. Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met het gestelde in artikel 2, tweede lid, van deze verordening. Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald dan wel in de toekomst worden opgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel