De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
kalendermaand volgend op de
datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
belanghebbende is bekend
gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
bijstandsnorm.
Tenzij het betreft het onverantwoord interen van het vermogen wordt
de maatregel opgelegd:
voor de duur van een kalendermaand, wanneer sprake is van
een eerste verwijtbare gedraging;
voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is
van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een
hogere categorie binnen twaalf maanden na de eerste als
verwijtbaar aangemerkte gedraging.
Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van
dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de laatste
als verwijtbaar aangemerkte gedraging de bijstand voor onbepaalde
duur verlagen, rekening houdend met het gestelde in artikel 2,
tweede lid, van deze verordening.
Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een
langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de
mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de
belanghebbende daartoe aanleiding geven.
In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
kracht worden opgelegd voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald
dan wel in de toekomst worden opgelegd.