Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.13

De Polderwijk

Onderdeel van Welstandsnota 2004

<vet>Bebouwing en omgeving</vet>De Polderwijk is ontstaan rond de wisseling van het millennium. Het gebied wordt begrensd door de Urkerweg, Ransuil, Nagel en het buitengebied. De Polderwijk is een zelfstandig deel- plan van bestemmingsplan De Staart. Structuur en kwaliteit zijn vooraf vastgelegd in een beeldkwaliteitplan. Het grootste deel van de Polderwijk is bestemd voor woningbouw. Het noordelijke deel sluit aan op het winkelcentrum. Vanaf het winkelcentrum loopt een zichtlijn naar een toekomstige ontsluiting op de Urkerweg. In de kop van het plan is ruimte voor )openbare) voorzieningen. De wijk is omgeven door water. Aan de zijde van de Ransuil en Urkerweg is het water royaal ingebed in groene oevers. Het groen is zoveel als mogelijk als “gebruiksgroen” in het gebied gelegen. Een aarden dijkje vormt de scheiding tussen het “gebruiksgroen” en prive-terrein. De groenvoorziening en de dijkjes maken met het middengebied structureel onderdeel uit van de planopzet. Het middengebied is een groen openbaar gebied waarin speel- en verblijfsplekken en een langzaam- verkeersroute hun plaats hebben. Het woongebied wordt op twee plaatsen ontsloten vanaf de Ransuil. De twee ontsluitingen kruisen met drie woonstraten het middengebied en zetten zich voort in noordoostelijke richting.<vet>Bebouwing op zich </vet>Bij de gronduitgifte heeft clustering plaats gevonden per ruimtelijke eenheid. Hierdoor is samenhang in het bebouwingsbeeld aanwezig. De afzonderlijke bebouwing is weer dan een optelsom van de verschillende bouwplannen. Als een woning gelegen is aan het openbaar gebied komt dit tot uitdrukking in het ontwerp. Op een hoek laat de woning meerdere “voor- gevels” zien. Bijgebouwen passen bij de architectuur van de woning.<vet>Materiaal, detaillering en kleur</vet>Uitgangspunt is een duurzaam gebouwde woonwijk in een traditionele vorm. Kenmerkend hiervoor is de toepassing van natuurlijke bouwmaterialen. Bij kleurtoepassing moeten te grote kleurverschillen worden vermeden. Per ruimtelijke eenheid is een toetskleur vastgesteld.<vet>Criteria</vet>De volgende uitgangspunten gelden voor ontwerp en toetsing:Bebouwing en omgeving•De architectuur en de directe openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. Deze dient te worden behouden. •Behouden en versterken van de eenheid is uitgangspunt bij de van ingrepen. •De bebouwing moet georiënteerd zijn naar de openbare weg. Bij hoeksituaties is oriëntatie naar twee zijden uitgangspunt. •De clusterwaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of nieuwbouw.Bebouwing op zich•De clusterwaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of nieuwbouw, Veranderingen moeten passen binnen de (stijl)kenmerken, het imago en de expressiviteit van het cluster. •De gevelopbouw, indeling en de repetitie van de samengestelde elementen zijn uitgangspunt bij veranderingen en toevoegingen. •Extra ramen in de kopgevel zijn toegestaan voor zover deze overeenstemmen met de karakteristiek van het bouwwerk. •Er dient een relatie te zijn tussen de gevelindeling en de achterliggende functies. •De dakvlakken dienen als één geheel herkenbaar te blijven. •Dakkapellen aan de voorzijde die niet zijn opgenomen in het architectonische concept verstoren van het straatbeeld. •Op- en aanbouwen moeten ondergeschikt zijn aan de hoofdmassa. <vet>Materiaal, detaillering en kleur</vet>•Bestaand kleur- en materiaalgebruik in bepalend voor de complex- waarde. Dit draagt wezenlijk bij de uitstraling en is uitgangspunt voor aanpassingen. •Bij detaillering dient te worden uitgegaan van het oorspronkelijke Ontwerp. •Horizontale bouwdelen zoals goten dienen qua detaillering en kleurstelling op elkaar te worden afgestemd. •Erfafscheidingen dienen zoveel mogelijk te worden uitgevoerd van levend materiaal of in een transparante vorm.

Rechtspraak bij dit artikel