Deze verordening wordt aangehaald als: "Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ gemeente Gilze en Rijen 2011".
Aldus vastgesteld in de openbare
vergadering van 7 februari 2011.
DE RAAD VOORNOEMD,
de griffier, de voorzitter,
mr. J.W. Timmermans dr. A.J.W. Boelhouwer
Algemene toelichting Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2011 gemeente Gilze en Rijen
Bundeling van gemeentelijke middelen
Met ingang van 1 januari 2010 is de Wet tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (hierna te noemen: 'Wet Buig’) - op onderdelen - in werking getreden. Als gevolg daarvan worden de gemeentelijke middelen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor zover dat betrekking heeft op startende ondernemers, alsmede de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) gebundeld met het inkomensdeel voor de Wet werk en bijstand (WWB). Met de invoering van deze gebundelde uitkering krijgt de gemeente een budget voor de bekostiging van uitkeringen op grond van de WWB, de IOAW, de IOAZ, en het Bbz 2004. De gemeente Tilburg is voor onze regio aangewezen als centrumgemeente voor de uitvoering van de WWIK.
Met de inwerkingtreding - op onderdelen - van de Wet Buig per 1 januari 2010 krijgt de gemeente een grotere beleidsmatige rol en financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en het Bbz 2004. De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25% drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een financieringssystematiek waarbij 100% kon
worden gedeclareerd. Per 1 januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit nu van toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG worden de financiële middelen van de 'kleine inkomensregelingen' gebundeld in het volledig gebudgetteerde Inkomensdeel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op grond van de WWB. Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico. Daardoor ontstaat voor de gemeente, meer dan eerst, een direct belang om de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 zo goed en doeltreffend mogelijk uit te voeren.
Niet gebundeld met het Inkomensdeel wordt de financiering van de kosten van levensonderhoud van
gevestigde, oudere en beëindigende zelfstandigen en de financiering van bedrijfskapitaal vanuit
het Bbz 2004. Hiervoor blijft aparte financiering bestaan. De reden daarvoor is als volgt in de
Memorie van Toelichting verwoord (kamerstuk 31927, nr. 3):
"De doelgroep van het Bbz 2004 valt op hoofdlijnen uiteen in startende ondernemers en gevestigde ondernemers. De kosten vallen op hoofdlijnen uiteen in bedrijfskapitaal en kosten vanlevensonderhoud. De benodigde middelen voor bijstand aan de gevestigde ondernemers zijn naast macro economische factoren afhankelijk van een groot aantal moeilijk te voorspellen situaties. Ondernemers kunnen tijdelijk in de problemen komen door bijvoorbeeld klimatologische omstandigheden, uitbraken van dierziekten en renovaties van buurten. Het daarmee gemoeide beslag op bedrijfskapitaal inclusief de kosten van levensonderhoud laat zich lastig ramen. De fluctuaties in opeenvolgende jaren zijn niet alleen groot, maar kunnen ook regionaal of lokaal sterk verschillen. Volledige budgettering en dus bundeling met het I-deel is hierdoor niet op zijn plaats.
De financiering op grond van het huidige Bbz 2004, en daarmee het Bbz 2004 als specifieke uitkering, blijft op dit punt gehandhaafd.
Het aantal personen dat jaarlijks als starter gebruik maakt van het Bbz 2004 valt wel goed te ramen. De kosten van levensonderhoud voor startende ondernemers worden om die reden wel gebundeld met het inkomensdeel WWB.
Ten aanzien van de verstrekking van bedrijfskapitaal krachtens het Bbz 2004 aan starters geldt dat er momenteel enkele pilots lopenmet een aparte borgstellingregeling voor bedrijfskapitaal. Na afloop van de pilots vindt op basis van een evaluatie een afweging plaats of deze voorziening als passend is aan te merken en daaruit voortvloeiend of verstrekking van bedrijfskapitaal niet langer hoeft plaats te vinden via het Bbz 2004. Bij een positieve uitkomst van de evaluatie kan vervolgens een landelijke uitrol worden overwogen. In afwachting van de evaluatie van de pilots blijft de financiering van het bedrijfskapitaal voor startende ondernemers conform de huidige financiering van het Bbz 2004.
Het Bbz 2004 kent naast deze hoofdgroepen nog bepaalde groepen met specifieke eigen bepalingen. De afwijkende situatie van ondernemers in de binnenvaart en van zelfstandigen in het buitenland leidt tot een eigen financieringswijze die zich niet leent voor bundeling met het I-deel.
De huidige financiering van het Bbz2004 blijft hiervoor gehandhaafd."
Van verplichting naar bevoegdheid
Bij een systeem van volledige budgetfinanciering past dat verplichtingen voor gemeenten worden omgezet in bevoegdheden. Zo is de verplichting tot terugvordering van ten onrechte en teveel verstrekte IOAW- en IOAZ-uitkeringen met ingang van 1 januari 2010 omgezet in een bevoegdheid.
Voorts past bij het systeem van volledige budgetfinanciering dat de verplichting om een maatregel op te leggen, als een aan de IOAW- of IOAZ-uitkering verbonden verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen, wordt omgezet in een bevoegdheid. De omzetting van de verplichting tot het opleggen van een maatregel in een bevoegdheid daartoe in de IOAW en in de IOAZ is niet met ingang van 1 januari 2010 in werking getreden, maar zal met ingang van 1 juli 2010 in werking treden. Daartoe zullen met ingang van 1 juli 2010 onder andere artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ worden gewijzigd. Ook de verplichting voor de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen voor maatregelen in het kader van de IOAW en IOAZ is met ingang van 1 juli 2010 in werking getreden. Hiervoor is artikel 35 van de IOAW en IOAZ met ingang van 1 juli 2010 zodanig gewijzigd, dat de bedoelde verplichting daarin is opgenomen. Dat de beide voornoemde onderdelen van de Wet BUIG pas met ingang van 1 juli 2010 in werking is getreden, komt doordat is geoordeeld dat de vaststelling van een verordening voorbereidingstijd vergt voor gemeenten. Daaruit vloeit overigens wel voort dat de gemeenteraad ook niet eerder dan 1 juli 2010 de hiervoor bedoelde verordening kan vaststellen. In het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ, hierna te noemen "Maatregelenbesluit", was de exacte hoogte van maatregelen op grond van de IOAW en IOAZ geregeld. In dat besluit werd voor verschillende maatregelwaardige gedragingen bepaald dat de maatregel wordt vastgesteld op een bepaald percentage van de IOAW- en IOAZ-grondslag. Gezien het voorgaande zou logisch zijn, dat het Maatregelenbesluit komt te vervallen met ingang van 1 juli 2010. Bij Staatsblad 2009, nr. 594 zijn echter al met ingang van 1 januari 2010 alle verwijzingen naar de IOAW en IOAZ verwijderd in het Maatregelenbesluit. Naar mag worden aangenomen gaat het hier om een vergissing van de wetgever. Gevolg daarvan is wel dat de (concrete) invulling van de maatregelen vanaf 1 januari 2010 niet meer bij of krachtens wet is geregeld. Het college kon over de periode van 1 januari 2010 tot 1 juli 2010 wel een maatregel op grond van de IOAW en/of IOAZ opleggen, maar de hoogte van die maatregel is niet (landelijk) geregeld.
Om in de ontstane lacune te voorzien, zou het college beleidsregels kunnen stellen met betrekking tot de invulling van de - thans nog verplichte - maatregelen op grond van de IOAW en IOAZ. De gemeenteraad is immers eerst per 1 juli 2010 bevoegd bij verordening regels te stellen met betrekking tot maatregelen in het kader van de IOAW en IOAZ. Het college is op dit moment wel bevoegd regels te stellen met betrekking tot de invulling van de verplichte maatregelen in het kader van de IOAW en IOAZ, omdat het college de IOAW en IOAZ in medebewind uitvoert.
Aansluiting bij het regime op grond vande Wet werk en bijstand
Met de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ wordt voldaan aan de verplichting voor de gemeenteraad om bij verordening regels vast te stellen met betrekking tot de oplegging van verlagingen. Rode draad in de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ is dat met betrekking tot de IOAW en IOAZ zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het WWB-regime.
Daarop worden in de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ wel enkele uitzonderingen gemaakt, namelijk om een verlaging op te leggen ter hoogte van 100% van de uitkeringsnorm of een verlaging op te leggen ter hoogte van misgelopen inkomen. Laatstgenoemde situaties worden door de IOAW en IOAZ uitdrukkelijk mogelijk gemaakt, dit in afwijking van de WWB.
Waar in de verordening en in deze toelichting wetsartikelen worden genoemd, is uitgegaan van de betreffende wetten, zoals die luiden met ingang van 1 juli 2010. Pas vanaf die datum is -zoals gezegd- de gemeenteraad immers bevoegd bij verordening regels te stellen met betrekking tot het opleggen van maatregelen.
Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het opleggen van een verlaging, is het opleggen van een verlaging een vorm van maatwerk, waarmee het college is belast. Evenals dat binnen de kaders van de WWB het geval is, dient de verlaging afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende. Het uitgangspunt wordt gevormd door de regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ zijn de gedragingen genormeerd die een schending van de verplichtingen opleveren. Die normering is echter niet absoluut. Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende kan aanleiding worden gevonden om van de standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter zonder meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel 20, derde lid, van de IOAW en IOAZ).
De verplichtingen die tot een maatregel kunnen leiden
De juridische basis voor het opleggen van een verlaging op grond van de IOAW en IOAZ is
neergelegd in respectievelijk artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ.
Artikel 20 van de IOAW luidt per 1 juli 2010 als volgt:
Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of
de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van een verplichting als bedoeld in artikel 13 of in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen. Van een verlaging als bedoeld in het tweede lid wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een verlaging op grond van het eerste lid.
Artikel 20 van de IOAZ luidt per 1 juli 2010 als volgt:
Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 13, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of ter zake van het nadien onvoldoende inzetten voor de voorziening in het bestaan.
Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren tot de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
Van een verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op het verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een verlaging op grond van het tweede lid.
Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de IOAW kan een verlaging worden opgelegd indien:
1.de dienstbetrekking is beëindigd als gevolg van een dringende reden als bedoeld in artikel 678
van het Burgerlijk Wetboek en dit belanghebbende valt te verwijten; de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan
2.de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijker-
wijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
het niet of in onvoldoende mate nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 13;
het niet of in onvoldoende mate nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 30c,
tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
-het niet of in onvoldoende mate nakomen van een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering
verbonden verplichting;
-het zich jegens het college ernstig misdragen.
In de onder 1. tot en met 4. genoemde situaties wordt de uitkering tijdelijk of blijvend geweigerd naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW zou hebben kunnen verwerven.
Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de IOAZ kan een maatregel worden opgelegd indien:
de dienstbetrekking is beëindigd als gevolg van een dringende reden als bedoeld in artikel 678 van het Burgerlijk Wetboek en dit belanghebbende valt te verwijten;
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
het niet of in onvoldoende mate nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 13;
het niet of in onvoldoende mate nakomen van een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting;
het zich jegens het college ernstig misdragen;
het zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of het nadien onvoldoende inzetten voor de voorziening in het bestaan.
Wat betreft de IOAZ wordt de uitkering in de onder 1.en 2. genoemde situaties tijdelijk of blijvend geweigerd naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven.
Uit de tekst van de artikelen 20 IOAW en IOAZ volgt, dat artikel 20 van de IOAW en de IOAZ niet dezelfde maatregelwaardige gedragingen noemen.
De IOAW en de IOAZ maken het mogelijk een verlaging op te leggen ter hoogte van misgelopen inkomsten. Daarin is een verschil gelegen tussen de WWB enerzijds en de IOAW en IOAZ anderzijds. Daarbij gaat het om beëindiging van een dienstbetrekking op grond van een dringende reden als bedoeld in artikel 678 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of beëindiging van een dienstbetrekking op verzoek van belanghebbende zelf, zonder dat aan het dienstverband zodanige bezwaren waren verbonden, dat de voorzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van de belanghebbende zou kunnen worden gevergd. Voor die situaties is in de verordening een afzonderlijk regime neergelegd. Daarbij is wel de beperking opgenomen dat het gaat om inkomen uit of in verband met arbeid dat minder bedraagt dan de helft van de uitkeringsnorm. In dergelijke situaties, waarin het gaat om geringe misgelopen inkomsten, wordt het niet gewenst geacht om een verlaging op te leggen van 100% van de uitkeringsnorm.
Onder "dringende redenen"als bedoeld in artikel 678 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek kan het volgende worden verstaan:
wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige arbeidsovereenkomst is geëindigd;
wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;
wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag;
wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt;
wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt;
wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden;
wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;
wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zichzelf of anderen aan ernstig gevaar blootstelt;
wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt;
wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt;
wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt;
wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de bedongen arbeid te verrichten.
Ingeval zich een van de hiervoor bedoelde "dringende redenen" voordoet, kan dat tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 678, eerste lid, boek 7 Burgerlijk Wetboek).
Hoogte en duur van de verlaging
In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de uitkeringsnorm.
In het tweede artikel is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.
Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:
Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.
Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.
Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.
De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd. Onder de ernst van de gedraging wordt verstaan: de objectiveerbare en feitelijke gedraging. Hierbij speelt een afweging gericht op de persoon nog geen rol. Matiging van de opgelegde verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:
bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld het volgen van een schuldsaneringstraject in het kader van de WSNP;
sociale omstandigheden, bijvoorbeeld gezinsomstandigheden of een opeenstapeling van sociale en financiële problemen.
De WWB kent niet de mogelijkheid tot blijvende verlaging. De mogelijkheid tot blijvende weigering in de IOAW en IOAZ is dus uniek in het gemeentelijke domein van de sociale zekerheid. In de verordening is geen invulling gegeven aan de mogelijkheid tot blijvende verlaging of weigering. De reden daarvoor is de volgende. De IOAW en de IOAZ zijn niet het sluitstuk van de sociale voorzieningen, dat is de WWB. Als het mogelijk zou zijn om een blijvende verlaging of weigering op te leggen, dan zou een (aanvullend) beroep op algemene bijstand op grond van de WWB kunnen worden gedaan. Dan zou de situatie ontstaan dat er twee uitkeringen naast elkaar gaan lopen. Die situatie verdient niet de voorkeur.
Bij recidive geldt als regel dat de hoogte van de maatregel wordt verdubbeld, totdat de hoogte van de maatregel gelijk is aan of (in theorie) hoger is dan de grondslag. Een uitzondering op die regel zijn gedragingen van de vierde categorie en ernstige misdragingen. In die gevallen wordt niet de hoogte maar de duur van de maatregel verdubbeld.
Zeer ernstige misdragingen
Afzonderlijke aandacht verdient de verlaging en/of weigering van de uitkering als de belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt. Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle gevallen als onacceptabel worden beschouwd. Conform het bepaalde in de Maatregelen- en handhavingsverordening met betrekking tot de WWB is in deze verordening bepaald dat bij zeer ernstige misdragingen een maatregel wordt opgelegd van de gehele uitkeringsnorm gedurende 1 maand. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde weigering van de uitkering dient te worden aangemerkt als punitieve (bestraffende) sanctie en op het college rust de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van de genoemde bepaling sprake is geweest.
Artikelsgewijze toelichting Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ
Gemeente Gilze en Rijen