Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Vaststelling beoordeling

Onderdeel van Regeling beoordelingsgesprekken 2010

1. Op basis van het gevoerde beoordelingsgesprek stelt de leidinggevende de beoordeling vast door middel van het ondertekenen van het beoordelingsformulier. 2. Als een medewerker zich niet kan vinden in de door de leidinggevende gemaakte beoordeling heeft deze de gelegenheid binnen een termijn van 5 werkdagen na het beoordelingsgesprek om zijn zienswijze aan de beoordeling toe te voegen. Vervolgens stelt de leidinggevende de beoordeling vast, waarbij hij al dan niet gemotiveerd rekening houdt met deze zienswijze. Als deze zienswijze niet tot aanpassing van de beoordeling leidt, vermeldt de leidinggevende op het formulier de door de medewerker gegeven zienswijze, waarna de medewerker het formulier voor gezien tekent. Vervolgens stelt de leidinggevende de beoordeling alsnog ongewijzigd vast. 3. De leidinggevende verstrekt een afschrift van de vastgestelde beoordeling aan de medewerker en aan de directeur/gemeentesecretaris. 4. De originele vastgestelde beoordeling wordt door de leidinggevende in handen gegeven van de personeelsconsulerit en wordt aan het persoonsdossier van de medewerker toegevoegd. Het ingevulde en ondergetekende formulier, zoals bedoeld in lid 1, wordt gedurende een termijn van 10 jaar in het persoonsdossier bewaard. In geval van bovenstaande of in geval van uitdiensttreding van de medewerker wordt het formulier vernietigd. 5. Na vaststelling van de beoordeling kan tegen de inhoud daarvan door de medewerker bij het college van Burgemeester en Wethouders bezwaar worden aangetekend overeenkomstig de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht.

Rechtspraak bij dit artikel