Het college ziet af van verlaging van de inkomensvoorziening indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte inkomensvoorziening is verleend. Verlaging van de inkomensvoorziening wegens schending van de inlichtingenplicht vindt niet plaats na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Het college kan van verlaging van de inkomensvoorziening afzien indien zij daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Indien het college afziet van verlaging van de inkomensvoorziening op grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
Van verlaging van de inkomensvoorziening kan het college afzien en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien de gedraging niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 29
Afzien van verlaging van de inkomensvoorziening
Onderdeel van Verordening investeren in jongeren