**1.** Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van zelfstandig wonende jongeren van 18 tot 21 jaar wordt verleend als en voor zover:
a. de noodzakelijke kosten van bestaan uitgaan boven de geldende inkomensvoorziening van artikel 26, onderdeel a, artikel 27, onderdeel a, artikel 28, eerste lid, onderdeel a, artikel 28, tweede lid, onderdeel a, b, c van de WIJ;
b. in de hogere bestaanskosten niet kan worden voorzien door het delen van deze kosten met (een) ander(en);
c. voor de kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat:
-de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
-de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders niet te gelde kan maken.
**2.** De jongere bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als:
a. de ouder(s) is / zijn overleden of in het buitenland woont / wonen;
b. de jongere in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening buiten het gezin is geplaatst;
c. de jongere op de ingangsdatum van de bijstandverlening 12 maanden of langer zelfstandig woont;
d. er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de minderjarige zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie.
**3.** De noodzakelijke kosten van het bestaan van de zelfstandig wonende jongere alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde van 18 tot 21 jaar, zoals bedoeld in het eerste lid, worden gelijk gesteld aan de toepasselijke inkomensvoorziening WIJ voor een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde van 21 jaar of ouder. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen het inkomen van de jongere en de toepasselijke inkomensvoorziening WIJ;
**4.** De bijzondere bijstand wordt waar mogelijk op de ouders verhaald.