Lid 1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
de betrokkene: de (gewezen)ambtenaar of
arbeidscontractant in de zin van de CAR (Collectieve
Arbeidsvoorwaarden Regeling);
gezinsleden: de echtgenoot of geregistreerde partner,
de eigen, stief- en pleegkinderen van betrokkene, die deel
uitmaken van zijn gezin;
eigen huishouding voeren: het bewonen van woonruimte
met een eigen inboedel, omvattende naast het meubilair tenminste
de voor twee vertrekken - waaronder de woonkeuken kan worden
begrepen - gebruikelijke stoffering, benevens eigen
keukenuitrusting, een en ander ter beoordeling van het
college;
jaarbezoldiging: het tot een jaarbedrag herleide
bedrag van de bezoldiging waarop de betrokkene krachtens de
regeling als bedoeld in artikel 3:1, lid 1, van de Collectieve
Arbeidsvoorwaarden Regeling aanspraak heeft of laatstelijk voor
zijn ontslag had, vermeerderd met de vakantietoelage;
salarisreeks: de salarisreeks behorende bij de
Bezoldigingsregeling;
verplaatsen en verplaatsing: verhuizen of verhuizing
in opdracht van het college in het belang van de dienst;
dienstwoning: de van gemeentewege aan betrokkene in
verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen
woning;
wezenlijke onderbreking: een onderbreking welke
langer dan twee maanden heeft geduurd;
eerste indiensttreding: indiensttreding bij de
gemeente, waaraan of slechts met een wezenlijke onderbreking,
waaraan het ambtenaarschap in de zin van het Pensioenreglement
was verbonden, is voorafgegaan.
Lid 2
Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
genomen.