De commandant is jegens het college verantwoordelijk voor:

Lid 1

De goede staat van onderhoud en het tot onmiddellijk gebruik gereed zijn van het blus- en reddingsmaterieel, de alarminstallatie(s), de bluswatervoorziening, de uitrusting van het personeel, waartoe hij zorg draagt dat:

  • - in elke brandweergarage een inventarislijst aanwezig is vermeldende de uitrustingsstukken welke op de daarin geplaatste blus- en andere voertuigen behoren te worden meegevoerd, alsmede van de overige in de garage aanwezige goederen en materialen;
  • - het blusmaterieel ten minste eenmaal per week en het overige materieel tenminste eenmaal per maand wordt beproefd en aan een inspectie wordt onderworpen;
  • - de alarminstallaties periodiek op een vastgesteld uur ter controle in werking worden gesteld;
  • - eens per halfjaar alle brandkranen, brandputten en andere waterwinplaatsen worden gecontroleerd en bij vorst of andere bijzondere omstandigheden de vereiste maatregelen worden getroffen;
  • - de bij de brandweer in gebruik zijnde gebouwen en lokaliteiten regelmatig worden gecontroleerd;
  • - de bij het personeel in gebruik zijnde kleding en uitrustingsstukken ten minste eenmaal per jaar aan een inspectie worden onderworpen;
  • - de onder a t/m f genoemde materialen, gebouwen en goederen op oordeelkundige wijze worden gebruikt;
  • - de bij vorengenoemde inspecties en controles gebleken tekortkomingen, welke de brandweer bij de uitvoering van haar taken kunnen belemmeren, terstond ter kennis van het college wordt gebracht.

Lid 2

De snelle, doelmatige en veilige uitvoering van alle aan de brandweer opgedragen taken waartoe hij:

  • - bevoegd is aan het personeel alle noodzakelijke bevelen en dienstvoorschriften te geven;
  • - verplicht is het personeel ten minste twaalf maal per jaar op te roepen voor deelname aan een instructie- en/of oefeningsbijeenkomst;
  • - eens per drie maanden een dienstrooster opmaakt, vermeldende de door de leden van het personeel te verrichten wacht-, bewakings-, controle- en piketdiensten.

Lid 3

Het op peil houden van zijn brandweerkennis, waartoe hij door het college kan worden verplicht deel te nemen aan cursussen en bijeenkomsten welke hiertoe naar hun oordeel kunnen bijdragen.