1.Het districtscollege stelt de jaarrekening vast voor 1 juli volgende op het jaar waarvoor de

rekening geldt.

2.Het districtscollege zendt de vastgestelde rekening met alle daarbij behorende stukken,

waaronder de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen als bedoeld in artikel

213 Gemeentewet, aan gedeputeerde staten binnen twee weken na de vaststelling doch

uiterlijk voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking

heeft. Het districtscollege doet van de vaststelling mededeling aan de raden.

3.Het nadelig saldo van de vastgestelde rekening, voor zover dit ten laste van de

gemeenten komt, wordt jaarlijks omgeslagen over de deelnemende gemeenten volgens

de methode als bedoeld in artikel 12, lid 9.

4.Het batig saldo van de vastgestelde rekening wordt uitbetaald volgens de methode als

bedoeld in artikel 12, lid 9.

5.Voor de vaststelling van de inwonertallen wordt aangehouden de door het Centraal

Bureau voor de Statistiek gepubliceerde cijfers.