1.Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende verwijtbare gedragingen zoals die zijn omschreven in de artikelen 4, 5 en 6 van deze verordening, worden de daarvoor geïndiceerde afstemmingen van het recht op bijstand elk afzonderlijk opgelegd. In het geval er sprake is van een verwijtbare gedraging uit de vijfde categorie dan wordt alleen de afstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid en tweede lid , aanhef en onder e opgelegd.