Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Uitzonderingen op de aanbiedingsplicht aan de gemeente

Onderdeel van Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 25 september 1996

Van de aanbiedingsplicht ingevolge artikel 10, eerste lid, van de wet, wordt in het tweede lid van dat artikel een aantal uitzonderingen gegeven. De wijzigingswet heeft ook hierin enige verandering gebracht. Bij de voorbereiding van het wetsvoorstel is veel te doen geweest over de vraag of ten tijde van een vestiging van een voorkeursrecht reeds bestaande optieovereenkomsten geëerbiedigd dienen te worden. Dergelijke optie-overeenkomsten werden geëerbiedigd indien zij voldeden aan het vereiste dat zij blijkens een notariële (of een geregistreerde onderhandse) akte waren ontstaan voor de terinzagelegging in ontwerp van het plan waarop de aanwijzing tot voorkeursrechtgebied betrekking had. Die discussie heeft geleid tot een aanscherping van artikel 10, tweede lid, onder d, en een nieuw derde lid van dit artikel. Deze aanscherping houdt in dat voor de eerbiediging van een optieovereenkomst niet meer wordt volstaan met het vereiste van een notariële akte of geregistreerde onderhandse akte. Voortaan is een inschrijving van de optieovereenkomst in de openbare registers vereist. Deze inschrijving moet tot stand zijn gekomen in geval van een aanwijzing ingevolge de artikelen 2 of 6 vóór de terinzagelegging in ontwerp van het plan waarop de aanwijzing betrekking heeft onderscheidenlijk in geval van een aanwijzing op grond van de artikelen 8 of 8a vóór de inwerkingtreding van deze aanwijzing. Het Burgerlijk Wetboek (artikel 3:17) en de Kadasterwet (artikelen 18 e.v. en artikel 26) bevatten voorts regelen omtrent de inschrijfbaarheid van feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn. Het nieuwe derde lid van artikel 10 sluit hierop aan: de overeenkomst waarbij de optie in het leven is geroepen is inschrijfbaar mits deze overeenkomst is vervat in een akte. Aan deze akte worden voortaan uit een oogpunt van bewijskracht voor zijn ontstaan geen bijzondere eisen meer gesteld. Door bij de inschrijving van de optieovereenkomst in de openbare registers het tijdstip van aanbieding te noteren, staat immers exact vast wanneer de optie (uiterlijk) is ontstaan. Voor de inschrijving zelf is echter wel nodig dat de akte ofwel notarieel is verleden ofwel bij een onderhandse akte vergezeld gaat van een notariële verklaring (artikel 26, eerste lid, van de Kadasterwet). De tweede zin van het derde lid van artikel 10 omschrijft het rechtsgevolg van de inschrijving. Hierbij is expliciet gesteld dat de in artikel 10, eerste lid, Wvg bedoelde beperking van de verkoper in zijn beschikkingsbevoegdheid voor hem niet ontstaat. Met andere woorden de verkoper, die een oude, voor de terinzagelegging in ontwerp van een structuur- of bestemmingsplan of voor de inwerkingtreding van een aanwijzing op grond van artikel 8 of 8a ingeschreven optie-overeenkomst later effectueert, valt buiten de aanbiedingsplicht. Tenslotte is voorzien in een overgangsregeling voor op 17 juli 1996 bestaande optieovereenkomsten. Artikel III van de wijzigingswet regelt dat bestaande optieovereenkomsten die op grond van artikel 10, tweede lid, onder d, zoals dat voor die datum gold, buiten het voorkeursrecht vielen, worden geëerbiedigd. Koopovereenkomsten die bestaan ten tijde van inwerkingtreding van een voorkeursrecht worden gerespecteerd, mits van dit bestaan blijkt uit een notariële of geregistreerde onderhandse akte. Anders dan bij de uitzondering ten aanzien van opties en dergelijk soort overeenkomsten, is hier niet voorgeschreven dat zo’n eerder bestaande koopovereenkomst moet zijn ingeschreven in de openbare registers. Door de aanpassing aan de nieuwe regeling van ingang van het voorkeursrecht – inwerkingtreding daags na datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin de betrokken aanwijzing is gepubliceerd – is overigens de mogelijkheid om nog op het laatste moment van deze uitzondering gebruik te maken beduidend beperkt. De uitzondering geldt niet alleen bij vestiging van een voorkeursrecht met toepassing van artikel 2, maar evenzeer in geval van toepassing van de artikelen 6, 8 of 8a. De vrijwillige openbare verkoop wordt niet meer van de aanbiedingsplicht ingevolge het voorkeursrecht uitgesloten. Om prijsopdrijving bij vrijwillige openbare verkoop tegen te gaan is besloten deze vrijstelling te schrappen. De taxatie-procedure die gebaseerd is op de onteigeningswet geeft de eigenaar voldoende waarborgen om zijn grond tegen een reële, aan de markt gerelateerde, prijs aan de gemeente te verkopen. De openbare executoriale verkoop is wel als uitzondering gehandhaafd (artikel 10, tweede lid, onder g).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel