In paragraaf 3 van de Wpg en in paragraaf 4 Bpg zijn de (structurele) verstrekkingsmogelijkheden van politiegegevens aan anderen dan de opsporingsinstantiesgeregeld. Voor zover in deze paragrafen niet in verstrekking aan personen of instanties wordt voorzien, kan de verantwoordelijke49In de praktijk heeft de korpschef zijn bevoegdheid veelal gemandateerd., voor zover aan formele voorwaarden wordt voldaan, ingevolge art. 19 (incidentele gevallen) en art. 20 Wpg (structureel) politiegegevens verstrekken aan deze personen en instanties. Het verstrekken van politiegegevens moet worden gezien als een doelafwijkende verwerking. Dit betekent dat verstrekking niet mogelijk is als een van de weigeringsgronden uit art. 2:13 Bpg zich voordoet of niet voldaan is aan een ander formeel vereiste (zie paragraaf 8). Verstrekking aan een derde kan plaatsvinden op verzoek van deze of uit eigen initiatief van de verantwoordelijke.
Politiegegevens mogen slechts worden verstrekt indien is voldaan aan een aantal vereisten: de Wpg is van toepassing, voor bepaalde doeleinden, met een zwaarwegend algemeen belang, indien noodzakelijk, en, voor zover de betreffende politiegegevens zijn verwerkt in het kader van strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie50De hoofdofficier van justitie kan zijn bevoegdheid doormandateren aan bijvoorbeeld zaaksofficieren of privacymedewerkers bij het betreffende OM-onderdeel.51Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 327, nr. 3, pag. 76. In geval niet helder is of bepaalde politiegegevens zijn verkregen in het kader van de handhaving van de openbare orde of in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dient de instemming van zowel de (hoofd)officier als burgemeester te worden verkregen..
Alvorens tot verstrekking op basis van de Wpg over te kunnen gaan, dient de verantwoordelijke zich ervan te vergewissen of er een strafrechtelijk onderzoek gaande is en/of de politiegegevens door het OM in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg zijn verwerkt, waarmee de belangen van opsporing en vervolging in het geding zijn. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door raadpleging van het ‘zicht-op-zaken’ registratiesysteem Betere Opsporing door Sturing op Zaken (BOSZ). In geval van twijfel of indien blijkt dat een verzoek om verstrekking ook is gericht aan het OM, dient afstemming plaats te vinden alvorens tot verstrekking over te gaan. Door afstemming wordt mede voorkomen dat personen of instanties gaan ‘shoppen’.
Politiegegevens worden verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaken, voor zover dat noodzakelijk is voor de bij of krachtens de Wpg geformuleerde doeleinden (zie paragraaf 2). Verstrekking van politiegegevens door de verantwoordelijke aan een derde kan alleen plaatsvinden voor zover dit in het belang is van de politietaak. Het doel van de verstrekking dient overeen te stemmen of verenigbaar te zijn met (art. 19 en art 20 lid 1 Wpg):
het voorkomen en opsporen van strafbare feiten;
het handhaven van de openbare orde;
het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven;
het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving.
Bij het begrip ‘zwaarwegend algemeen belang’ moet gedacht worden aan de belangen genoemd in art. 8 lid 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), te weten: het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van een land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen52Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 327, nr. 3, pag. 74. Met een gegevensverwerking wordt een algemeen belang gediend, indien die verwerking voor de samenleving van betekenis is. Een gegevensverwerking is vanuit het oogpunt van een zwaarwegend algemeen belang gerechtvaardigd indien die voor de samenleving van meer dan gewone betekenis is., bijvoorbeeld bij:
de aanpak van winkelcriminaliteit;
de aanpak van de jeugdcriminaliteit;
de aanpak van voetbalvandalisme;
het informeren van een werkgever vanwege het feit dat een werknemer wordt verdacht van corruptie;
het informeren van de leiding van de school over het feit dat een aldaar werkzame leraar wordt verdacht van het plegen van ontuchtige handelingen.
Bij het begrip ‘noodzakelijk’ moet gedacht worden aan een belangenafweging tussen het zwaarwegend algemeen belang dat gediend wordt met de verstrekking van de gegevens, het belang van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben en de belangen van opsporing en vervolging. Bij deze belangenafweging worden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit betrokken:
Politiegegevens die minder ingrijpend zijn voor de persoonlijke levenssfeer (zoals veelal het geval zal zijn bij politiegegevens die zijn verwerkt met een art. 8 en 13 Wpg), kunnen eerder worden verstrekt dan politiegegevens die meer ingrijpend zijn voor de persoonlijke levenssfeer. Vanwege de mogelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en het belang van afscherming in verband met afbreukrisico komen de op basis van art. 9 en 10 Wpg verwerkte politiegegevens in beginsel niet in aanmerking voor verstrekking aan derden (art. 4:5 lid 1 Bpg)53Voor verstrekkingen aan het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) worden gezien als dringend noodzakelijk, zie Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens, van de Minister van Veiligheid en Justitie, kenmerk 330633/13 d.d. 11 maart 2013, houdende toestemming aan de korpschef van het landelijk politiekorps en de verantwoordelijken voor de Koninklijke Marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten van het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot het verstrekken van politiegegevens aan de partners in de Regionale Informatie en Expertisecentra (RIEC’s) ten behoeve van het verrichten van integrale casusanalyses voor het bepalen van gezamenlijke interventiestrategieën en het uitvoeren daarvan (Wpg-machtigingsbesluit RIEC’s/werkproces integrale casusanalyse).. Slechts indien dit dringend noodzakelijk54In de Nota van Toelichting wordt als voorbeeld genoemd een ernstig gevaar voor de gezondheid of het leven van bepaalde personen. Nota van Toelichting bij het Bpg, Staatsblad 2007, 550, pag. 81. is voor een goede uitvoering van de politietaak, kan in afwijking van het bepaalde in lid 1 – na toestemming van de bevoegd functionaris en instemming van de officier van justitie – worden besloten te verstrekken (art. 4:5 lid 2 Bpg, zie paragraaf 8). Hoewel de wetgever het doel van de verwerking leidend doet zijn, is voor de afweging de aard van het betreffende politiegegeven mede bepalend (bijvoorbeeld: is er sprake van een getuigenverklaring of een geïntercepteerd telefoongesprek).
In hoeverre realisatie van het doel verwacht kan worden. In geval van twijfel zal voorafgaand aan enige verstrekking door de beoogde ontvanger duidelijkheid moeten worden verschaft, bijvoorbeeld door inzicht te geven in het door deze gevoerde beleid.
In hoeverre kunnen de gegevens langs andere weg door de beoogde ontvanger verkregen worden en is het mogelijk de personalia van getuigen te anonimiseren en kan, in plaats van verstrekking van een integraal proces-verbaal, volstaan worden met een (gedeelte van) het proces-verbaal (van relaas), verstrekkingsrapport of korte brief waarin de relevante gegevens worden vermeld.
In hoeverre de belangen van opsporing en vervolging prevaleren. Deze afweging vindt in het voorkomende geval plaats in overleg met de officier van justitie (zie paragraaf 15.5.1 en 15.5.2).
Verstrekkingen in het kader van art. 19 en 20 Wpg vinden plaats in overeenstemming met het bevoegde gezag in de zin van de Politiewet 2012. In deze aanwijzing wordt invulling gegeven aan het te voeren beleid inzake het instemmen met verstrekkingen op grond van de artt. 19 en 20 Wpg, zodat de ambtenaar van de politie vooraf inzicht heeft in het daaromtrent te voeren beleid55Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 327, nr. 3, pag. 76-77..
Indien het gaat om een incidentele verstrekking, beslist de verantwoordelijke per verstrekking of deze noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, en of het doel overeenstemt of verenigbaar is met de hiervoor genoemde doeleinden.
Bij verstrekking van politiegegevens die zijn verwerkt met een art. 8 of 13 Wpg doel is in de systematiek van de Wpg, uitgezonderd de overeenstemming bij verstrekkingen in het kader van art. 19 en 20 Wpg, dat geen inhoudelijke rol voor de officier van justitie is weggelegd. Gezien de aard van de politiegegevens die zijn verwerkt met een art. 8 of 13 Wpg doel, kan de (hoofd)officier van justitie volstaan met het geven van instemming voor verstrekking in het kader van art. 19 Wpg, tenzij:
de verantwoordelijke twijfels heeft in hoeverre realisatie van het doel verwacht kan worden, er sprake is van een zwaarwegend algemeen belang of in hoeverre de belangen van opsporing en vervolging prevaleren;
de te verstrekken politiegegevens verkregen zijn met BOB-bevoegdheden.
Bij de verstrekking van politiegegevens die gericht zijn verwerkt met een art. 9 en 10 Wpg doel, is in de regel een grotere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer aan de orde. Voor deze gegevens geldt per definitie art. 4:5 Bpg en de toets door de bevoegd functionaris en officier van justitie bij deze doelafwijkende verwerking. (zie paragraaf 8). De (hoofd)officier van justitie toets een dergelijke voorgenomen beslissing van de verantwoordelijke integraal aan
doeleinden, zwaarwegend algemeen belang, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Indien de (hoofd)officier van justitie niet instemt met de verstrekking van de betreffende politiegegevens, deelt hij dit zo spoedig mogelijk mee. Van deze beslissing wordt door de opsporingsinstanties aantekening gemaakt.
Indien het gaat om een structurele verstrekking van politiegegevens heeft de verantwoordelijke voorafgaand daaraan beslist of deze noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, en of het doel overeenstemt of verenigbaar is met hiervoor genoemde doeleinden. Deze beslissing wordt vastgelegd in een besluit. Het zogenoemde art. 20 besluit biedt een juridisch kader waarbinnen in individuele gevallen verstrekkingen kunnen plaatsvinden. Uit het besluit dient te blijken (art. 20 lid 2 Wpg):
ten behoeve van welk zwaarwegend algemeen belang de verstrekking noodzakelijk is;
ten behoeve van welk samenwerkingsverband de politiegegevens worden verstrekt en het doel waartoe dit samenwerkingsverband is opgericht;
welke politiegegevens (die met een art. 8 of 13 Wpg doel zijn verwerkt) structureel kunnen worden verstrekt;
de voorwaarden waaronder de gegevens worden verstrekt;
aan welke personen of instanties de gegevens worden verstrekt.
De (hoofd)officier van justitie toetst, voor zover de te verstrekken politiegegevens zijn verwerkt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, gezien het voorgenomen structurele karakter van de verstrekkingen, of het juridisch verstrekkingskader in het art. 20 besluit voldoet aan de vereisten die de Wpg daaraan stelt en zijn instemming kan dragen. Desgewenst worden eventuele aanvullende afspraken gemaakt over:
de wijze van controle of de Wpg, het Sv of de Wjsg van toepassing is;
de wijze waarop in het voorkomende geval de (hoofd)officier van justitie wordt betrokken in de afweging van het belang van opsporing en vervolging;
de eventuele uitvoering die namens de (hoofd)officier van justitie kan worden gegeven aan de daadwerkelijke verstrekking (zowel het Sv of de Wjsg van toepassing zijn);
de wijze waarop de eventuele toetsing aan het verstrekkingsregime van Sv en Wjsg dient plaats te vinden;
de wijze waarop toetsing van de belangen van opsporing en vervolging dient plaats te vinden.
Omdat het verstrekkingskader in het art. 20 besluit is getoetst, eventuele aanvullende afspraken zijn gemaakt en de (hoofd)officier zijn instemming heeft verleend, kan de verantwoordelijke vervolgens binnen dat kader zonder instemming van de (hoofd)officier in het individuele geval overgaan tot verstrekking.
Indien het samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een convenant, dient uit het convenant te blijken dat de hoofdofficier van justitie heeft ingestemd met het besluit.
Jaarlijks wordt door de verantwoordelijke een jaarverslag opgesteld voor het periodieke overleg tussen de verantwoordelijke en het bevoegde gezag met een overzicht van de art. 20 besluiten en samenwerkingsverbanden, en het binnen dat kader gedane verstrekkingen56Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 327, nr. 3, pag. 78.. Het verdient aanbeveling dit jaarverslag gelijktijdig te bespreken met het verslag van de privacyfunctionaris (art. 34 lid 3 Wpg), mede om te bezien of, en in hoeverre de gemaakte verstrekkingsafspraken voldoen en of het aantal in het kader van een art. 20 besluit gedane verstrekkingen het desbetreffende besluit langer rechtvaardigen.
Tevens is aan te bevelen dat zowel binnen de opsporingsinstanties als binnen het OM kenbaar wordt gemaakt aan welke ambtenaren van politie, officieren van justitie en medewerkers bij het betreffende OM onderdeel mandaat is verleend en derhalve als aanspreekpunt dienen.
Artikel 15
Verstrekking aan derden (artt. 19 en 20 Wpg)
Onderdeel van Aanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2018