Hoewel de Wpg de doelbinding voorop stelt bij de verwerking van politiegegevens, is doelafwijkende verwerking van politiegegevens onder voorwaarden mogelijk. De doelafwijkende verwerking kan op twee manieren geïnitieerd worden. In de eerste plaats kan het initiatief daarvoor uitgaan van de opsporingsambtenaar die de betreffende gegevens verwerkt (actief). Deze kan de gegevens beschikbaar stellen voor een verdere verwerking met een ander doel25Zie de artt. 8 lid 4, 9 lid 3, 10 lid 5, 12 lid 2 en 13 lid 1 Wpg. De belangen strafvordering maken dat politiegegevens die met een art. 8 of 9 Wpg doel worden verwerkt en die relevantie hebben voor inzicht in de betrokkenheid van personen bij bepaalde ernstige bedreigingen van de rechtsorde (art. 10 Wpg) of de ondersteuning van de politietaak (art. 13 Wpg) daadwerkelijk beschikbaar worden gesteld voor doelafwijkende verwerkingen.. In de tweede plaats kunnen geautoriseerde, belanghebbende opsporingsambtenaren zelf het initiatief nemen en zoeken naar gegevens die elders binnen de opsporingsinstanties worden verwerkt (passief). De Wpg kent (limitatief) twee verschillende vormen van doorzoeken van politiegegevens: geautomatiseerd vergelijken en in combinatie verwerken (zie paragraaf 9).
In beide situaties worden de met een art. 9 of art. 10 Wpg doel verwerkte gegevens pas na instemming van een daartoe aangewezen bevoegd functionaris26In art. 2:10 Bpg staat wie als bevoegd functionaris kunnen worden aangewezen: de leider van het betreffende onderzoek, het hoofd CIE / RID of hun plaatsvervangers. binnen de opsporingsinstanties ter beschikking gesteld voor verdere verwerking met een ander doeleinde (art. 9 lid 3 of 10 lid 5 Wpg ). Het uitgangspunt van de Wpg is dat politiegegevens ter beschikking worden gesteld aan ambtenaren van politie en daarmee gelijkgestelden, voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van hun taak (art. 15 lid 1 Wpg).
Uit de gezagsrelatie tussen het OM en de opsporingsinstanties vloeit voort dat de bevoegde functionaris (namens de korpschef) zijn taak uitoefent in nauw overleg met de officier van justitie. Hierbij hebben de bevoegde functionaris en de officier van justitie ieder een eigen verantwoordelijkheid. Hieronder wordt kort ingegaan op het afwegingskader van de bevoegd functionaris en van de officier van justitie.
De bevoegd functionaris beoordeelt:
of de Wpg in de doelafwijkende verwerking voorziet;
of een van de weigeringsgronden uit art. 2:13 Bpg zich voordoet:
Het betreft gegevens omtrent informanten of andere personen als bedoeld in art. 12 lid 5 Wpg;
Er is gevaar voor leven of gezondheid van betrokkene of derden te duchten;
Er is sprake van een verwerking voor een intern integriteitonderzoek onder verantwoordelijkheid van de korpschef;
Er is sprake van een verwerking door de rijksrecherche onder verantwoordelijkheid van het College van procureurs-generaal;
Het betreft gegevens die worden verwerkt op grond van art. 10 lid 1, onder b (themaverwerking: ernstige gevaar rechtsorde misdrijven (art. 3:2 Bpg));
Er is sprake van een verwerking voor een door het College van procureurs-generaal als embargo-onderzoek aangemerkt onderzoek (zie paragraaf 12);
of een andere wettelijke bepaling zich verzet tegen verdere verwerking, bijvoorbeeld het ontbreken van toestemming door de officier van justitie (art 125n lid 3 Sv of art. 126dd Sv).
Daarnaast beoordeelt de bevoegd functionaris:
of de doelafwijkende verwerking van de politiegegevens relevant en noodzakelijk is voor het doel waarvoor de gegevens verwerkt gaan worden;
of er een zodanige discrepantie bestaat tussen het oorspronkelijke doel en het doel waarvoor de gegevens verder zouden worden verwerkt, dat terbeschikkingstelling – mede gelet op de tactische belangen van de opsporing en de inbreuk op de privacy van betrokkenen – disproportioneel is;
of de gegevens niet langs andere, minder ingrijpende weg kunnen worden verkregen (subsidiariteit).
De officier van justitie stemt in beginsel in met de beschikbaarstelling tenzij de belangen van opsporing en vervolging zich daartegen verzetten. Desgewenst worden nadere afspraken gemaakt tussen de betrokken politieambtenaren over het onder beperkende voorwaarden gebruik maken van de politiegegevens. Indien de officier van justitie zich, gelet op de belangen van opsporing en vervolging, niet kan vinden in de beschikbaarstelling van de betreffende politiegegevens, deelt hij dit zo spoedig mogelijk mee. Belangen van opsporing en vervolging kunnen ook betrekking hebben op een nieuwe verwerking ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, bijvoorbeeld als de bevoegd functionaris een evident verkeerde afweging maakt met betrekking tot noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.
Vorenstaande laat onverlet dat de officier van justitie ten aanzien van de politiegegevens die zijn verkregen met behulp van de opsporingsbevoegdheden vermeld in art. 125n lid 1 Sv of art. 126cc lid 1 Sv te allen tijden bevoegd is te bepalen of deze ter beschikking worden gesteld. Ten aanzien van deze politiegegevens dient de officier van justitie te bepalen of gegevens verwerkt mogen worden in een ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend, of mogen worden verwerkt voor een doeleinde als genoemd in art. 10 lid 1, onder a en b Wpg (art. 126dd lid 1 Sv).
De officier van justitie kan zijn instemming mondeling geven. Voor de politiegegevens die worden verwerkt met een art. 9 Wpg doel wordt in beginsel verwezen naar de betreffende officier van justitie die als aanspreekpunt is genoemd in paragraaf 7. Voor gegevens die zijn verwerkt met een art. 10 lid 1, onder a of met een art. 10 lid 1, onder b Wpg doel zijn respectievelijk de CI-officier van justitie en de officier van justitie belast met mensenhandel en -smokkel of de officier van justitie belast met terrorisme het aanspreekpunt.
Artikel 8
Doelafwijkend verwerken (art. 9 lid 3 of 10 lid 5 Wpg)
Onderdeel van Aanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2018