Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Dwangmiddelen en bijzondere (opsporings)bevoegdheden

Onderdeel van Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2021

De minister beschikt over verschillende mogelijkheden om tot uitvoering van een sanctie of maatregel te komen. Voor zover de wet dit toestaat kan hij bij geldelijke sancties bijvoorbeeld een rijbewijs innemen, verhaal zonder dwang toepassen of een deurwaarder inzetten.17De minister is de procespartij in verzetzaken tegen onder meer dwangbevelen en kennisgevingen van verhaal in strafrechtelijke procedures (artt. 6:4:5 en 6:4:6 Sv. – voorheen: artikelen 575 en 576 Sv) Het OM heeft hierin over het algemeen geen rol. Dit verandert wanneer de inzet van vrijheidsbenemende dwangmiddelen of (bijzondere) opsporingsbevoegdheden mogelijk aan de orde is. In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op gijzeling, opsporing en het strafrechtelijk executie onderzoek (ontnemingen). Om tot inning van een geldelijke straf of maatregel te komen kan de minister (het CJIB) zich tot het OM wenden met de wens om het vrijheidsbenemende dwangmiddel gijzeling toe te passen. Gijzeling is mogelijk voor administratieve sancties (art. 28 Wahv), strafbeschikkingen, ontnemingsmaatregelen en schadevergoedingsmaatregelen. Met ingang van 1 januari 2020 zijn de lijfsdwang en vervangende hechtenis bij de ontnemingsmaatregel en schadevergoedingsmaatregel (artikelen 36e en 36f Sr, oud) namelijk vervangen door het dwangmiddel gijzeling. Voor de toepassing van lijfsdwang of vervangende hechtenis, opgenomen in een rechterlijke uitspraak gewezen vóór 1 januari 2020, wordt verwezen naar paragraaf 6.1.2. Bij administratieve sancties (art. 28 Wahv), strafbeschikkingen waarbij een geldboete is opgelegd en ontnemingsmaatregelen (art. 6:6:25 Sv) kan het OM een vordering gijzeling instellen bij de rechter. Bij schadevergoedingsmaatregelen (art. 6:4:20 Sv) beslist het OM over de toepassing van gijzeling. In alle gevallen gelden onderstaande contra-indicaties. Het (indienen van een vordering tot) gijzelen blijft achterwege indien De bestrafte/veroordeelde nog geen zestien jaar is; De bestrafte/veroordeelde aannemelijk heeft gemaakt – of het CJIB in het innings- en incassotraject duidelijk is geworden – dat hij buiten staat is om de geldelijke sanctie te voldoen; of De noodzaak om tot gijzeling over te gaan anderszins onvoldoende is onderbouwd door het CJIB. Met betrekking tot de laatstgenoemde criteria: gijzeling heft de verplichting tot betaling niet op. Gijzeling is enkel zinvol als andere, minder ingrijpende, middelen om tot inning te komen aantoonbaar niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Van het CJIB wordt verwacht dat het inzicht geeft in het innings- en incassotraject (inclusief een verstuurde waarschuwingsbrief en eventuele reactie van betrokkene daarop). Gijzeling wordt namelijk niet toegepast als de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij niet kan betalen (vgl. art. 6:4:20, derde lid Sv en 6:6:25, zesde lid Sv). De bewijslast ligt hierbij primair bij de veroordeelde. Het CJIB betrekt dit bij de onderbouwing van zijn verzoek aan het OM. Het CJIB houdt bij zijn verzoek rekening met bovengenoemde contra-indicaties. Indien het verzoek niet de vorm heeft van een concept-beslissing of -vordering blijft behandeling achterwege. Een verkregen machtiging of beslissing van het OM over de toepassing van het dwangmiddel wordt verstrekt aan de minister (CJIB), die vervolgens zorg draagt voor de nodige verificaties en te geven lasten. De minister is verantwoordelijk voor de uitvoering. Hij kan de gijzeling te allen tijde beëindigen. Voor de lijfsdwang of vervangende hechtenis, opgenomen in een rechterlijke uitspraak die is gewezen vóór inwerkingtreding van de wijziging van de artikelen 36e en 36f Sr (1 januari 2020),was voorzien dat deze op grond van overgangsrecht ook na die datum nog als lijfsdwang respectievelijk vervangende hechtenis zou worden toegepast. In lopende zaken (hoger beroep tegen een uitspraak van voor 1 januari 2020) zal de rechter het overgangsrecht echter buiten toepassing laten, omdat op grond van jurisprudentie het voor betrokkene meest gunstige sanctierecht dient te worden toegepast (de regeling voor gijzeling).18Vgl. HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 Om die reden hanteert het OM bovengenoemde contra-indicaties (par. 6.1.1) ook voor de inzet van een vrijheidsbenemend dwangmiddel in de betreffende zaken.. De minister kan de inzet te allen tijde beëindigen.19Artikel XLIVA Invoeringswet USB (Stb. 2019, 504). Dit geldt eveneens voor de vervangende hechtenis bij de ontnemingsmaatregel in vonnis gewezen voor 1 september 2003. In dat geval vindt afstemming plaats met het OM. De verantwoordelijkheid van de minister voor de tenuitvoerlegging laat het gezag van het OM over de politie onverlet. Onder dit gezag valt de sturing van opsporingsactiviteiten ten behoeve van de tenuitvoerlegging. Wanneer het CJIB/AICE namens de minister lasten aan de politie geeft, zoals de opdracht een veroordeelde aan te houden, zal de politie vanuit die verantwoordelijkheid door de minister worden aangestuurd. Het gezag over de politie blijft echter bij het OM rusten voor zover de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De enkele uitvoering van een last tot aanhouding en de sturing hierop – het aanbellen bij een bepaald adres, iemand ophalen met het oog op toepassing van het dwangmiddel gijzeling, et cetera – betreft nog geen opsporing. Op enig moment is in de uitvoering evenwel een omslagpunt te markeren naar activiteiten die zich naar hun aard wel als zodanig laten kenmerken. Daarvan is in ieder geval sprake bij toepassing van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden. Waar aanhouding vraagt om opsporing, zal de sturing overgaan van de minister naar het OM. Wat betreft opsporingsbevoegdheden moet met name worden gedacht aan de bevoegdheden die met de tenuitvoerlegging belaste opsporingsambtenaren kunnen toepassen om de verblijfplaats vast te stellen van de persoon die moet worden aangehouden om zijn straf te ondergaan (artikel 6:1:7 Sv e.v.). Het betreft een deelverzameling van de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden die in het kader van de opsporing (in brede zin) kunnen worden ingezet. Omdat deze bevoegdheden ingrijpen in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkenen, is het veelal de officier van justitie die (na machtiging van de rechter-commissaris) het bevel geeft tot de inzet ervan. Daarnaast gaat het om de opsporingsbevoegdheden die op bevel van de officier van justitie kunnen worden ingezet ten behoeve van het onderzoek naar het vermogen van een veroordeelde in het kader van een ontnemingsmaatregel (artikel 6:4:11 Sv, zie par. 6.3). Voor bijzondere bevoegdheden die ten behoeve van de executie worden ingezet geldt geen ondergrens voor wat betreft het strafrestant, behoudens de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit dan wel grenzen gesteld door regelgeving en jurisprudentie. De inzet van bijzondere bevoegdheden heeft met name ten doel de vindplaats van de veroordeelde te achterhalen met het oog op aanhouding van de veroordeelde dan wel de overdracht van executie of het achterhalen van vermogen van de veroordeelde bij ontnemingsmaatregelen (zie ook par 6.3). Het Fugitive Active Search Team (FAST) is een landelijk opererend team waarbij de politie (FastNL) en het OM (LP-Fast) intensief samenwerken op het gebied van (internationale) opsporing van voortvluchtigen die onherroepelijk veroordeeld zijn. Het FAST is werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het Landelijk Parket (LP). Het LP-Fast heeft een landelijke taak ten aanzien van de internationale signalering van tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf (of vervangende hechtenis taakstraf) veroordeelden, van wie het vonnis of arrest onherroepelijk is, met een openstaand strafrestant van 120 dagen of meer, en veroordeelden met vordering vanaf 10.000 euro, ten behoeve van gijzeling/lijfsdwang in het kader van de ontnemingsmaatregel en die staan gesignaleerd in het systeem Executie & Signalering (E&S) en van wie geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is of waarvan wel een adres in Nederland bekend is, maar die niet binnen drie maanden na de last tot aanhouding zijn aangehouden. In deze zaken is het LP-Fast verantwoordelijk voor de internationale signalering, het aanbieden van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) aan de rechter-commissaris20Als gevolg van een uitspraak van het Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2019:456) van 27 mei 2019, heeft de wetgever besloten de Overleveringswet te wijzigen. De wijziging houdt – kort gezegd – in dat de rechter-commissaris als de bevoegde autoriteit wordt aangewezen om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen. Deze wetswijziging is op 13 juli 2019 in werking getreden., alsmede andere vormen van internationale rechtshulp in de fase van de tenuitvoerlegging. Het is aan het betrokken eerstelijns parket en de regionale politie-eenheid om gerichte opsporingsactiviteiten te plegen in zaken waarin het netto strafrestant minder dan 300 dagen bedraagt. Bij een opsporingsindicatie in het buitenland dient de regionale politie-eenheid contact te zoeken met de coördinatoren van FastNL (politie). Het betrokken parket kan desgewenst contact zoeken met de FAST-officier van justitie. In onherroepelijke zaken van veroordeelden met een netto-strafrestant van 300 dagen vrijheidsstraf of meer is FastNL belast met de opsporing onder gezag van de LP-Fast officier. De FAST-officier neemt in die zaken de eventuele informatievoorziening aan het slachtoffer voor zijn rekening, gehoord het betrokken parket. Onder omstandigheden neemt FAST de verantwoordelijkheid voor de opsporing van een nog niet onherroepelijk veroordeelde over. Dit kan in zeer ernstige of (media)gevoelige zaken en alleen na overleg en goedkeuring van een officier van justitie van LP-Fast. Onder deze categorie vallen ten eerste de tbs- en PIJ-gestelden en ISD-geplaatsten (met een strafrestant van >120 dagen). Daarnaast vallen hieronder personen (zowel minderjarig als volwassenen) die van hun vrijheid beroofd zijn en in een penitentiaire of justitiële inrichting zijn geplaatst, naar aanleiding van een bevel tot voorlopige hechtenis of een veroordeling, en die zich aan de tenuitvoerlegging van dat bevel of vonnis hebben onttrokken door middel van geweld, hulp van buitenaf of op andere wijze (de zogenaamde harde onttrekkingen). De Regeling melding ongeoorloofde afwezigheid (Rmoa) bepaalt de handelwijze in het geval van harde onttrekkingen. In het geval van een harde onttrekking geldt een directe, telefonische meldingsprocedure vanuit de inrichting naar het Landelijk Meldpunt (FastNL), zie art. 2.6 Rmoa. FastNL meldt de onttrekking bij het LP-Fast, signaleert de onttrekker in E&S en start hierop een opsporingsonderzoek. LP-Fast verzorgt zo nodig de internationale signalering en draagt na aanhouding in het buitenland zorg voor de benodigde internationale rechtshulp. Onder deze meldingsprocedure vallen eveneens onttrokken tbs-gestelden met verpleging van overheidswege (art. 3.2 Rmoa) en alle onttrokken PIJ-gestelden (art. 4.2 Rmoa). Deze zaken worden als standaardzaken bij het AICE aangemeld. Daarna volgt het reguliere proces van een (hernieuwde) last tot aanhouding en plaatsing in E&S. LP-Fast en FastNL hebben geen specifieke rol in de opsporing van zachte onttrekkers. Opsporing vindt plaats zoals beschreven in par. 6.2.1. De categorie tbs-gestelden kan worden onderverdeeld in twee groepen: tbs met verpleging van overheidswege (incl. wettelijk proefverlof) tbs met voorwaarden en de voorwaardelijke beëindiging tbs Tbs met verpleging van overheidswege (incl. wettelijk proefverlof) Deze groep valt onder de categorie ‘harde onttrekkingen’. Indien een tbs-gestelde met dwangverpleging zich onttrekt aan zijn maatregel of niet terugkomt van zijn proefverlof is er sprake van ongeoorloofde afwezigheid. In dat geval meldt het hoofd van de inrichting de ongeoorloofde afwezigheid onmiddellijk telefonisch aan het Landelijk Meldpunt (FastNL), zie art. 3.5 Rmoa. FastNL informeert daarop de LP-Fast-officier en het Informatiepunt Detentieverloop (IDV). De LP-Fast-officier informeert het betrokken parket (de tbs-officier, de rechercheofficier of piketofficier). FastNL begint met de opsporing van de tbs-gestelde en LP-Fast draagt zorg voor de internationale signalering bij vermoedens van vlucht naar het buitenland, en zo nodig voor op de aanhouding volgende rechtshulp. Tbs met voorwaarden en de voorwaardelijke beëindiging tbs Deze groep valt niet onder de regeling melding ongeoorloofde afwezigheid. Indien de tbs-gestelde zijn voorwaarden overtreedt, informeert de Reclassering het betrokken parket hierover. In deze gevallen kan de tbs-officier (of de officier van het arrondissement waarin de feitelijke verblijfplaats van de tbs-gestelde is gelegen) een vordering indienen om alsnog dwangverpleging op te leggen c.q. om de dwangverpleging te hervatten. In deze gevallen zal de officier ook de aanhouding van de tbs-gestelde bevelen.21Dit kan op grond van de artt. 6:3:15 en 6:6:21 Sv. De grondslag werd gevormd door art. 509i Sv (oud). Het eerste en tweede lid van dat artikel zijn verplaatst naar art. 6:3:15 Sv. Het derde tot en met zesde lid van art. 509i Sv (oud) zijn opgenomen in art. 6:6:21 Sv. Eerst dan kan worden opgespoord. Na een bevel tot aanhouding informeert de tbs-officier het Landelijk Meldpunt (FastNL). FastNL informeert vervolgens de LP-Fast-officier en het IDV. FastNL begint met de opsporing van de tbs-gestelde en LP-Fast draagt zorg voor de internationale signalering bij vermoedens van vlucht naar het buitenland, en zo nodig voor op de aanhouding volgende rechtshulp. Indien de veroordeelde niet binnen de door het CJIB gestelde betalingstermijn de ontnemingsmaatregel heeft betaald en er aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde wel over vermogen beschikt, brengt het CJIB dit onder de aandacht van het OM. De Landelijk Executie Officier van Justitie Ontnemingsmaatregelen (hierna: LEO) kan besluiten dat een Strafrechtelijk Executie Onderzoek (SEO) ex artikel 6:4:11 Sv moet worden opgestart. De officier van justitie die belast is met het SEO dient daartoe een vordering in bij de rechter-commissaris om te worden gemachtigd tot uitvoering van dit SEO. Het SEO is gericht op de vaststelling van het vermogen van de veroordeelde, waarop verhaal kan worden genomen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. Het beleid en de werkwijze rond ontnemingen is beschreven in de Aanwijzing afpakken. Het CJIB geeft namens de minister ten behoeve van de tenuitvoerlegging lasten tot aanhouding. Die lasten worden door de politie geregistreerd in het systeem Executie & Signalering (E&S). De lasten hebben zowel betrekking op personen met een bekend adres (woon- of verblijfplaats) in Nederland als op personen zonder adres of die daar niet zijn aangetroffen. De eindverantwoordelijkheid voor (het plaatsen en intrekken van) de signaleringen ligt in beginsel bij de minister, waar het gaat om de door hem gegeven lasten tot aanhouding. Het OM (LP-Fast) is verantwoordelijk voor de internationale signalering onder de omstandigheden genoemd in par. 6.2.1. Op grond van artikel 18 van de Paspoortwet kan het OM verder het verzoek doen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot weigering of vervallenverklaring van een Nederlands paspoort (de zogeheten paspoortsignalering), indien het gegronde vermoeden bestaat dat de betreffende persoon zich door verblijf buiten de grenzen van één van de landen van het Koninkrijk aan vervolging dan wel de tenuitvoerlegging van een bepaalde straf zal onttrekken.23Het betreft onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel van vier maanden of meer, of een bepaalde geldboete. Zie art. 18 Paspoortwet. Dit kan aan de orde zijn wanneer betrokkene geen vaste/bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft of er anderszins aanwijzingen bestaan voor een mogelijke vlucht naar het buitenland. Deze bevoegdheid wordt ten aanzien van veroordeelden uitsluitend toegepast door de LP-Fast officier.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel