Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Doorschuifregelingen

Onderdeel van Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 12 november 2025

In de hierna genoemde situatie keur ik voor zover nodig goed dat een splitsing in beginsel niet in overwegende mate is gericht op ontgaan of uitstellen van belastingheffing in de zin van artikel 14a, zesde lid, Wet VPB 1969 (vennootschap) en artikel 3.56, vierde lid, Wet IB 2001 (aandeelhouder). Een vennootschap, waarvan de aandelen zich in een (ontbonden) huwelijksgemeenschap bevinden, wordt juridisch gesplitst in een vennootschap met een zogenoemde materiële onderneming en een vennootschap met beleggingsvermogen. De splitsing vindt plaats om bij een verdeling van een huwelijksgemeenschap van de aandeelhouders in samenhang met toepassing van art 4.17 Wet IB 2001 de aandelen in de vennootschap met de onderneming te kunnen toebedelen aan de echtgenoot die de onderneming (middellijk) gaat voortzetten en de vennootschap met het beleggingsvermogen toe te bedelen aan de niet voortzettende echtgenoot. De goedkeuring laat onverlet dat in concrete gevallen de specifieke omstandigheden tot een andere conclusie kunnen leiden. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de huwelijksgemeenschap eerst kortstondig is opgezocht om daarna gebruik te kunnen maken van de faciliteit van artikel 4.17 Wet IB 2001. De goedkeuring baseer ik met name op de uitlatingen van de wetgever bij kort gezegd splitsing ter voorbereiding op het gebruik van de faciliteit van artikel 4.17c Wet IB 2001 (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 8, p. 64–65). De overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden onder voorwaarden niet als vervreemding aangemerkt (artikel 4.17a, eerste lid, aanhef, Wet IB 2001). Onder de gezamenlijke belanghebbenden wordt verstaan: de vervreemder en de verkrijger(s). In geval van een erflater wordt als vervreemder aangemerkt de rechtsgeldige vertegenwoordiger(s), bijvoorbeeld de executeur-testamentair. De verkrijgers hoeven niet per definitie alle erfgenamen en legatarissen te zijn. Iedere erfgenaam of legataris kan zelf kiezen of hij een verzoek tot doorschuiving doet. De doorschuiffaciliteit die geldt bij de vererving van preferente aandelen stelt nadere voorwaarden aan de toepassing hiervan. Dit hangt samen met de achtergrond van de regeling, te weten dat de faciliteit voor reële bedrijfsopvolgingen is bedoeld. Een van de nadere voorwaarden is dat de verkrijger van de preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is van gewone aandelen die bij de omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen zijn toegekend aan een ander (artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d, Wet IB 2001). Een genotsrechtigde wordt voor het aanmerkelijk belang gelijkgesteld met een aandeelhouder en zijn gerechtigdheid wordt als aandeel aangemerkt (artikel 4.3 Wet IB 2001). Toch kan twijfel bestaan of die aandelen kwalificeren als gewone aandelen. Daarom neem ik hierna genoemde ‘voor zover nodig goedkeuring’ op. Voor zover nodig keur ik goed dat het recht van vruchtgebruik op aandelen voor de toepassing van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d, Wet IB 2001 kwalificeert als gewoon aandeel. Bij de vererving van preferente aandelen stelt de wet nadere eisen aan de toepassing van de doorschuiffaciliteit. De verkrijger van deze aandelen moet onder andere reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder zijn van gewone aandelen die bij de omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen zijn toegekend aan een ander (artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d, Wet IB 2001). Er kan twijfel bestaan of een belang dat indirect wordt gehouden eveneens kwalificeert. Voor zover nodig keur ik goed dat de verkrijger van de preferente aandelen die reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal indirect aandeelhouder is van gewone aandelen die bij omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen zijn toegekend aan een ander, voldoet aan de eis van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d, Wet IB 2001. Als een belastingplichtige tezamen met zijn partner indirect voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is van een vennootschap dan heeft zowel de belastingplichtige als zijn partner een indirect aanmerkelijk belang in die vennootschap (samentelbepaling, artikel 4.6 Wet IB 2001). Dit kan ook het geval zijn als zij allebei (of een van hen) in feite aandeelhouder zijn voor minder dan 5% van het geplaatste kapitaal. Als de belastingplichtige overlijdt dan heeft de belastingplichtige tot en met het moment van overlijden een indirect aanmerkelijk belang in de voornoemde vennootschap. Daardoor is de toerekeningsregel als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 van toepassing. X en Y hebben ieder 50% van de aandelen in Z BV. Z BV heeft 5% in W BV. X en Y zijn partners. Zowel X als Y hebben een indirect aanmerkelijk belang in W BV. Als X overlijdt heeft X tot en met het moment van overlijden een indirect aanmerkelijk belang in W BV. Daardoor is de toerekeningsregel van artikel 4.17a, vijfde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 van toepassing. Voor de toepassing van de doorschuifregeling bij overgang krachtens erfrecht of bij overdracht krachtens schenking is onder meer vereist dat de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een onderneming drijft (artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en artikel 4.17c, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001). In geval de vennootschap direct of indirect een belang heeft in een ander lichaam worden de bezittingen en schulden van dat andere lichaam toegerekend aan de vennootschap mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Een van die voorwaarden is dat de erflater of schenker een indirect aanmerkelijk belang heeft in het andere lichaam (artikel 4.17a, vijfde lid, Wet IB 2001). Een erflater of schenker heeft geen indirect aanmerkelijk belang in het andere lichaam als de erflater of schenker via de aandelen in de vennootschap geen economisch belang heeft in het andere lichaam. De toerekening van bezittingen en schulden van het andere lichaam aan de vennootschap vindt dan ook niet plaats als de aanmerkelijkbelanghouder zogenoemde trackingstocks heeft in de vennootschap en de aanmerkelijkbelanghouder door de trackingstocks geen economisch belang heeft in het andere lichaam waarin de vennootschap aandelen houdt.11Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2024:2, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. X BV bezit de volledige eigendom van alle aandelen in Y BV. Daarnaast bezit X BV een pand dat in gebruik is bij de onderneming van Y BV. Het aandelenkapitaal van X BV bestaat uit aandelen A en aandelen B. X houdt alle aandelen A in X BV. De zoon van X houdt alle aandelen B. Volgens de statuten van X BV geven de aandelen A recht op de waarde van het vermogen van X BV, alsmede op de winsten van X BV met uitzondering van de waarde en de winsten van Y BV. De aandelen B geven volgens de statuten recht op de waarde van het vermogen van Y BV en op de winsten van Y BV. Verder is in de statuten bepaald dat X BV een dividendreserve A en een dividendreserve B kent. Tot het saldo van deze dividendreserves zijn uitsluitend de houders van de aandelen A respectievelijk B gerechtigd. Als X zijn aandelen A schenkt aan zijn zoon, is de doorschuifregeling van artikel 4.17c Wet IB 2001 niet van toepassing op de schenking van de aandelen A. De aandelen A zien enkel op de waarde en het vermogen van X BV en X BV drijft geen onderneming. X BV houdt weliswaar alle aandelen in Y BV, maar omdat X geen economisch belang heeft in Y BV heeft X ook geen indirect aanmerkelijk belang in Y BV. De bezittingen en schulden van Y BV worden daardoor niet toegerekend aan X BV. De verdeling van een nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden onder voorwaarden niet als een vervreemding aangemerkt (artikel 4.17b, eerste lid, Wet IB 2001). Dit artikel is ook van toepassing bij een zogenoemde partiële verdeling van een nalatenschap waarbij binnen de vermelde tweejaarsperiode alleen of onder andere de aanmerkelijkbelangaandelen zijn toegedeeld en andere vermogensbestanddelen (voorlopig) nog tot een onverdeelde boedel behoren, mits aan de overige wettelijke voorwaarden is voldaan. Voor degene die de aandelen in het kader van de (partiële) verdeling krijgt toebedeeld, geldt als verkrijgingsprijs de verkrijgingsprijs die gold voor degenen van wie in het kader van de verdeling wordt verkregen (artikel 4.39b, eerste lid, Wet IB 2001). De overdracht tijdens leven waarbij artikel 4.22 Wet IB 2001 toepassing vindt (bijvoorbeeld schenking of verkoop aandelen tegen een onzakelijke lage prijs), wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden onder voorwaarden (gedeeltelijk) niet als vervreemding aangemerkt (‘doorschuiven bij schenking’, artikel 4.17c Wet IB 2001). Als artikel 4.22 Wet IB 2001 toepassing vindt en er sprake is van meer verkrijgers, kan iedere verkrijger zelf kiezen of hij een verzoek tot doorschuiving doet. Artikel 4.17c Wet IB 2001 is niet van toepassing als de desbetreffende aandelen worden overgedragen tegen schuldigerkenning, waarna de vordering geheel of gedeeltelijk wordt kwijtgescholden. Blijkens de wettekst moet immers sprake zijn van schenking van aandelen of winstbewijzen. Overdracht van aandelen of winstbewijzen tegen schuldigerkenning, onmiddellijk gevolgd door kwijtschelding van de koopschuld, komt naar mijn mening onder omstandigheden echter materieel overeen met schenking van die aandelen of winstbewijzen. Ik keur goed dat artikel 4.17c Wet IB 2001 toepassing vindt in de situatie dat aanmerkelijkbelangaandelen of winstbewijzen worden overgedragen tegen schuldigerkenning van de koopschuld, waarna onmiddellijk en onherroepelijk kwijtschelding plaatsvindt van die koopschuld. Deze goedkeuring is van overeenkomstige toepassing bij een gedeeltelijke kwijtschelding van de koopschuld. Vanzelfsprekend dient aan de overige voorwaarden van artikel 4.17c Wet IB 2001 te zijn voldaan. Aan deze goedkeuring verbind ik de voorwaarde dat de verkrijger akkoord gaat met een dienovereenkomstige verlaging van de verkrijgingsprijs. Bij een gefaseerde kwijtschelding geldt de goedkeuring niet voor de tweede en volgende kwijtschelding. Van bovenstaande goedkeuring kan geen gebruik worden gemaakt als sprake is van een herroepelijke kwijtschelding van de koopschuld. De doorschuifregeling van artikel 4.17c Wet IB 2001 kan dan niet worden toegepast. Dit ter voorkoming van een heffingslek binnen de aanmerkelijkbelangregeling. Een toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17c zou immers leiden tot een doorschuiving van de verkrijgingsprijs naar de verkrijger, terwijl na herroeping van de kwijtschelding de betaling van de koopschuld door de verkrijger tot een verhoging van de verkrijgingsprijs zou leiden. Voor de bedrijfsopvolgingsregeling van de Successiewet 1956 is in onderdeel 3.4 van het Besluit van 17 januari 2013, nr. BLKB 2012/1221M ook een goedkeuring opgenomen voor een kwijtschelding van de koopschuld. Deze goedkeuring voor de bedrijfsopvolgingsregeling van de Successiewet 1956 geldt zowel bij een onherroepelijke als herroepelijke kwijtschelding. De doorschuiving krachtens erfrecht of bij schenking is onder voorwaarden ook van toepassing op preferente aandelen (artikel 4.17a, derde lid, jo. artikel 4.17c, derde lid, Wet IB 2001). Voor indirect gehouden preferente aandelen zijn de voorwaarden opgenomen in artikel 26b, derde lid, URIB 2001. De preferente aandelen moeten o.a. een omzetting vormen van een eerder door de erflater (of de schenker) gehouden aanmerkelijk belang van gewone aandelen (artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, Wet IB 2001). Verder moet de omzetting tot preferente aandelen gepaard gegaan zijn met het toekennen van gewone aandelen aan een ander (artikel 4.17a, derde lid, onderdeel b, Wet IB 2001). De verkrijger van de (direct of indirect gehouden) preferente aandelen moet ten tijde van de verkrijging reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder zijn van gewone aandelen die bij omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen zijn toegekend aan een ander (artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d, Wet IB 2001 en artikel 26b, derde lid, onderdeel d, URIB 2001). De verkrijger hoeft dus niet bij de omzetting al te voldoen aan de 5%-voorwaarde. Ter verduidelijking merk ik hierbij het volgende op. In de parlementaire geschiedenis wordt weliswaar bij 'gepaard gaan met' in dit verband gesproken over 'gelijktijdig' en 'op dat moment', maar dat wil niet zeggen dat omzetting in preferente aandelen en toekenning van gewone aandelen aan een ander op dezelfde dag moeten plaatsvinden. Vereist is wel dat de tijdspanne beperkt is en dat er een verband bestaat tussen beide rechtshandelingen. Het is aan de inspecteur om te beoordelen of hieraan in een bepaald geval wordt voldaan.12Deze passage in dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:063:2024:8, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Onder toekennen van gewone aandelen aan een ander wordt verstaan zowel de uitgifte van (nieuwe) aandelen aan een ander als, na gedeeltelijke omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen, de overdracht van na die omzetting resterende gewone aandelen aan een ander (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, p. 98). Het komt voor dat bij een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen vóór 1 januari 2010 geen rekening is gehouden met de na die datum geldende wettelijke voorwaarde dat de omzetting gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander. Ik heb er begrip voor dat met deze voorwaarde destijds nog geen rekening kon worden gehouden in gevallen waarbij er reeds een beoogd bedrijfsopvolger is die al gewone aandelen bezit. Ik keur goed dat ervan kan worden uitgegaan dat de omzetting van gewone aandelen in (indirect gehouden) preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdelen b en d, Wet IB 2001 en artikel 26b, derde lid, onderdelen b en d, URIB 2001. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden: de omzetting heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2010; op het moment van de omzetting hield een ander ook gewone aandelen dan wel zijn gewone aandelen uitgereikt aan de preferente aandeelhouder/overdrager waarna in directe samenhang met deze uitreiking gewone aandelen zijn overgedragen aan de verkrijger(s); alleen de gewone aandelen uit de vorige voorwaarde zijn aan te merken als de gewone aandelen die zijn toegekend aan een ander in de zin van de hiervoor vermelde wettelijke bepalingen; de verkrijger van de preferente aandelen is op het moment van de verkrijging voor ten minste 5% van het totaal geplaatste aandelenkapitaal (direct of indirect) aandeelhouder van gewone aandelen en waarvan minimaal één gewoon aandeel zoals bedoeld in de vorige voorwaarde; de goedkeuring geldt slechts voor de preferente aandelen, die zijn ontstaan op het moment waarop de gewone aandelen zijn omgezet in preferente aandelen. Het komt voor dat bij een omzetting van de schuldig gebleven koopsom in preferente aandelen vóór 1 januari 2010 nog geen rekening is gehouden met de na die datum geldende voorwaarde dat de preferente aandelen moeten zijn ontstaan door omwisseling van gewone aandelen. Dergelijke verzoeken wijs ik af. Ik heb slechts begrip voor de situatie waarin de schuldig gebleven koopsom vóór 1 januari 2010 is ontstaan en op dezelfde dag is omgezet in preferente aandelen. Ik keur goed dat de preferente aandelen die vóór 1 januari 2010 zijn ontstaan door omzetting van een vordering, worden aangemerkt als preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 en artikel 26b, derde lid, onderdeel a, URIB 2001. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden: de vordering is vóór 1 januari 2010 ontstaan door overdracht van gewone aandelen aan een ander; de vordering is vervolgens op dezelfde dag omgezet in preferente aandelen; voor de toepassing van artikel 13d, negende lid, en artikel 13i Wet VPB 1969 wordt de inbreng van de aandelen tegen de vordering geacht te hebben plaatsgevonden tegen uitreiking van preferente aandelen. Voor de toepassing van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel b, Wet IB 2001 en artikel 26b, derde lid, onderdeel b, URIB 2001, worden in deze situatie de overgedragen gewone aandelen aangemerkt als gewone aandelen die zijn toegekend aan een ander. Cumulatief preferente aandelen komen slechts onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor de doorschuifregelingen in het aanmerkelijk belang (artikel 4.17a en 4.17c Wet IB 2001). Cumulatief preferente aandelen die bij de faciliteit van de geruisloze omzetting (artikel 3.65 Wet IB 2001) zijn uitgereikt, kwalificeren hierdoor niet voor de toepassing van genoemde doorschuifregelingen. Gezien de eisen die deze faciliteit stelt in de situatie dat twee of meer deelnemers in een samenwerkingsverband hun onderneming in dezelfde vennootschap inbrengen (zie met name de vijfde standaardvoorwaarde en de toelichting behorende bij het besluit van 24 oktober 2025, nr. 2025-21695 (Stcrt. 2025-37092) keur ik goed dat de hierbij uitgereikte cumulatief preferente aandelen geacht worden te voldoen aan de eisen van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, b en d, Wet IB 2001. Aan de hierboven genoemde goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden: de bij de geruisloze omzetting aan iedere inbrenger uitgereikte gewone en cumulatief preferente aandelen blijven aan elkaar gekoppeld; de cumulatief preferente aandelen worden naar evenredigheid gekoppeld aan de gewone aandelen; de bedrijfsopvolger verkrijgt tegelijk met de gewone aandelen in de omgezette onderneming, de daaraan naar evenredigheid gekoppelde cumulatief preferente aandelen; de goedkeuring geldt uitsluitend voor de cumulatief preferente aandelen die in verband met de geruisloze omzetting zijn verkregen. Voorgaande goedkeuring geldt ook indien twee of meer deelnemers in een samenwerkingsverband hun (subjectieve) onderneming in hun persoonlijke houdstervennootschap inbrengen en de houdstervennootschappen vervolgens hun onderneming met toepassing van artikel 14 Wet VPB 1969 laten uitzakken in een gezamenlijke werkmaatschappij en waarbij cumulatief preferente aandelen zijn uitgereikt. Uiteraard zal ook moeten zijn voldaan aan de overige voorwaarden voor de toepassing van de doorschuifregelingen. Deze beoordeling is voorbehouden aan de inspecteur. Een ongelijke en dus een onzakelijke ruilverhouding brengt in zijn algemeenheid mee dat de aandelenfusiefaciliteit op die grond niet kan worden verleend (Hoge Raad, 25 oktober 2000, nr. 35 957, ECLI:NL:HR:2000:AA7846). Ik keur niettemin goed dat een aandelenfusie met ongelijke ruilverhouding wordt toegestaan. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden: de aandeelhouder bezit alle aandelen van de verkrijgende vennootschap; er verschuiven geen aandeelhoudersrechten naar derden; zowel de vennootschap waarvan de aandeelhouder de aandelen vervreemdt als de verkrijgende vennootschap hebben een positieve waarde; er wordt ten minste één aandeel uitgereikt door de verkrijgende vennootschap. De meerwaarde wordt bij de verkrijgende vennootschap als agio geboekt; er gaan geen belastingclaims verloren, met andere woorden: de toekomstige heffing moet zijn verzekerd. Vanzelfsprekend moet ook aan de overige in artikel 3.55 Wet IB 2001 gestelde vereisten zijn voldaan. In beginsel kan – mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.55 Wet IB 2001 – een ruil van gewone aandelen tegen uitreiking van soortaandelen worden aangemerkt als een gefacilieerde aandelenfusie. Indien een directe omvorming van gewone aandelen in soortaandelen (dus zonder het door middel van een aandelenruil tussenplaatsen van een houdstermaatschappij) zou kwalificeren als een belaste vervreemding, kan bij de aandelenruil sprake zijn van het ontgaan of het uitstellen van belastingheffing als bedoeld in artikel 3.55, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001, juncto artikel 4.41, eerste lid, Wet IB 2001. Een en ander staat ter beoordeling van de competente inspecteur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel