**1.** Dit Verdrag is van toepassing op alle mechanisch voortgestuwde zeeschepen van welke aard ook, hetzij openbaar, hetzij particulier eigendom, die de zeevisserij beoefenen, en die geregistreerd zijn in een grondgebied ten aanzien waarvan dit Verdrag van kracht is.
**2.** De nationale wetgeving bepaalt wanneer schepen en vaartuigen dienen te worden beschouwd als zeeschepen in de zin van dit Verdrag.
**3.** Dit Verdrag is niet van toepassing op schepen en vaartuigen van minder dan 75 ton, zij het dat het Verdrag wel wordt toegepast op schepen en vaartuigen van 25 tot 75 ton, indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, oordeelt dat dit redelijk en mogelijk is.
**4.** Voor de toepassing van dit Verdrag kan de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, de lengte in plaats van de tonnage als criterium nemen; in dit geval is het Verdrag niet van toepassing op schepen en vaartuigen met een lengte van minder dan 80 voet (24,4 meter), zij het dat het Verdrag wel wordt toegepast op schepen en vaartuigen met een lengte van 45 tot 80 voet (13,7 tot 24,4 meter), indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, oordeelt dat dit redelijk en mogelijk is.
**5.** Dit Verdrag is niet van toepassing op:
schepen en vaartuigen die gewoonlijk voor de sportvisserij of voor ontspanning worden gebruikt;
schepen en vaartuigen die in hoofdzaak door middel van zeilen worden voortgestuwd, doch die zijn uitgerust met een hulpmotor;
schepen of vaartuigen die de walvisvaart of een soortgelijke visserij uitoefenen;
schepen voor visserijonderzoek of visserijbeschermingsvaartuigen.
**6.** De hiernavolgende bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op schepen die gewoonlijk minder dan 36 uur uit hun thuishavens wegblijven en waarop de bemanning niet ononderbroken aan boord verblijft als zij in de haven liggen:
Artikel 9, vierde lid;
Artikel 10;
Artikel 11;
Artikel 12;
Artikel 13, eerste lid;
Artikel 14;
Artikel 16,
mits de sanitaire voorzieningen op zulke schepen afdoende zijn en er eet- en kookgelegenheid, alsmede ruimte om te rusten is.
**7.** Van de bepalingen vervat in Deel III van dit Verdrag kan ten aanzien van elk schip worden afgeweken, indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, ervan overtuigd is dat indien van bedoelde bepalingen wordt afgeweken, dit voordelen oplevert in die zin dat de omstandigheden in hun geheel daardoor niet minder gunstig worden dan die welke zich zouden voordoen, indien de bepalingen van dit Verdrag volledig zouden zijn toegepast; telkens wanneer aldus van de bedoelde bepalingen wordt afgeweken, dienen de bijzonderheden door het Lid ter kennis te worden gebracht van de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, die er de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie van in kennis stelt.
DEEL I
Artikel 1
Artikel 1
Onderdeel van Verdrag betreffende de accommodatie aan boord van vissersschepen· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 12 mei 1977