Naar hoofdinhoud
1. De partijen werken zoveel mogelijk samen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. 2. Afdeling 2 van dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen 6 en 7. Zij voorziet in procedures ter versterking van de rechtstreekse samenwerking met serviceproviders en entiteiten op het grondgebied van een andere partij. Afdeling 2 is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de betrokken partijen. 3. Afdeling 3 van dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen 8 en 9. Zij voorziet in procedures ter versterking van de internationale samenwerking tussen autoriteiten bij de verstrekking van opgeslagen computergegevens. Afdeling 3 is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de verzoekende en de aangezochte partij. 4. Afdeling 4 van dit hoofdstuk bestaat uit artikel 10. Zij voorziet in procedures voor wederzijdse bijstand in noodsituaties. Afdeling 4 is van toepassing ongeacht of er sprake is van een verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving tussen de verzoekende en de aangezochte partij. 5. Afdeling 5 van dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen 11 en 12. Afdeling 5 is van toepassing wanneer er geen verdrag of regeling inzake wederzijdse bijstand op basis van uniforme of wederkerige wetgeving van kracht is tussen de verzoekende en de aangezochte partij. De bepalingen van afdeling 5 zijn niet van toepassing wanneer een dergelijk verdrag of een dergelijke regeling wel bestaat, behoudens het bepaalde in artikel 12, lid 7. De betrokken partijen kunnen evenwel onderling besluiten de bepalingen van afdeling 5 in plaats daarvan toe te passen, indien het verdrag of de regeling dat niet verbiedt. 6. Wanneer het de aangezochte partij, in overeenstemming met de bepalingen van dit protocol, is toegestaan medewerking afhankelijk te maken van het bestaan van dubbele strafbaarheid, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indien de gedraging die ten grondslag ligt aan het strafbare feit waarvoor om medewerking wordt verzocht, in haar wetgeving wordt aangemerkt als strafbaar feit, ongeacht of het interne recht het strafbare feit al dan niet in dezelfde categorie plaatst of met dezelfde termen aanduidt als het recht van de verzoekende partij. 7. De bepalingen van dit hoofdstuk houden geen beperking in van de samenwerking tussen partijen, of tussen partijen en serviceproviders of andere entiteiten, op grond van andere toepasselijke overeenkomsten, regelingen, praktijken of het nationale recht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel