De bepalingen dezer Verordening zijn uitsluitend van toepassing op de ambtenaren, wien op 1 October 1913 reeds ingevolge artikel 4 en artikel 8, 2e lid, aanspraken op pensioen waren gewaarborgd, doch ook op deze ambtenaren slechts, indien hun dienstverband met de Gemeente na genoemden datum niet is onderbroken.