Voor de toepassing van artikel 36 geldt het volgende:
het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen, waarop de belanghebbende de leeftijd van 15 jaar en die van 65 jaar heeft bereikt met dien verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op weduwen- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige toepassing vindt in verband met degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend;
het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in artikel 56, eerste lid, is geëindigd;
indien een weduwe recht heeft op algemeen weduwenpensioen op grond van artikel 8, eerste lid onder a, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, doch geen van de in evengenoemde bepaling bedoelde kinderen recht heeft op pensioen, wordt uitgegaan van het bedrag van het algemeen weduwenpensioen, dat geldt voor degene, op wie artikel 19, eerste lid, van genoemde wet van toepassing is;
de weduwe, op wie artikel 13, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet van toepassing is, wordt geacht met ingang van de dag, volgende op die van het overlijden van haar echtgenoot, dan wel met ingang van het later tijdstip, waarop evengenoemde bepaling op haar van toepassing wordt, recht te hebben op het algemene ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van eerstgenoemde wet;
als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de onder a bedoelde tijdstippen;
een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren;
diensttijd, waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk als wethouder is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de ambtsvervulling, waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar is of zou zijn bereikt, wordt de diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zover mogelijk, gedurende onderbreking van de daadwerkelijk als wethouder doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd, waarnaar het pensioen is berekend;
van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen pensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 35 van de Algemene Ouderdomswet;
de vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, worden geacht op overeenkomstige wijze als het algemeen pensioen in termijnen te worden betaald en artikel 47 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
HOOFDSTUK VII
Artikel 38