**1..** De uitkering bedraagt gedurende de periode, bedoeld in artikel 7, eerste lid, in het eerste jaar ten hoogste 80 percent, in het tweede jaar 70 percent en vervolgens 60 percent van de laatstelijk als wethouder genoten uitkering.*Lees voor uitkering: wedde
**2..** Het bedrag van de uitkering is tijdens een verlenging als bedoeld in artikel 7, tweede lid, gelijk aan 60 percent van de laatstelijk genoten wedde.
**3..** Gedurende een voortzetting van de uitkering op grond van artikel 7 vierde lid, bedraagt de uitkering 60 percent van de laatstelijk genoten wedde bij een algemene invaliditeit van 55 percent of meer en 40 percent van deze wedde bij een algemene invaliditeit van 25 tot 55 percent. Een wijziging van het uitkeringspercentage gaat in op de dag waarop de wijziging van de invaliditeitsgraad ingaat.
**4..** Tijdens een voortzetting van de uitkering op grond van artikel 7, zesde lid, is het bedrag van de uitkering gelijk aan het bedrag van het pensioen, waarop de belanghebbende recht zou hebben, indien hij als wethouder zou zijn gepensioneerd op de dag van zijn aftreden als zodanig. In zeer bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders, de vaste commissie van advies en bijstand aan burgemeester en wethouders met betrekking tot personeelsaangelegenheden gehoord, de uitkering, al dan niet voor een beperkte duur, op een hoger bedrag stellen doch niet hoger dan op 60 percent van de laatstelijk genoten wedde.
**5..** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten wedde verstaan de wedde, waarop de belanghebbende op de dag, voorafgaande aan die waarop hij heeft opgehouden wethouder te zijn, aanspraak had of bij waarneming van zijn ambt zou hebben gehad.
**6..** Indien in de bezoldiging van het rijkspersoneel een algemene wijziging wordt aangebracht, wordt de laatstelijk genoten wedde voor de toepassing van dit hoofdstuk met ingang van het tijdstip van de bedoelde bezoldigingswijziging overeenkomstig die wijziging aangepast.
HOOFDSTUK II
Artikel 8