Naar hoofdinhoud
1.. Indien een gehuwde vrouw, die geen zelfstandig recht heeft op algemeen pensioen noch duur-zaam gescheiden van haar echtgenoot leeft, recht heeft op een pensioen, wordt laatstbedoeld pensioen voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht aan haar echtgenoot te zijn toegekend met ingang van de eerste dag van de maand, waarin zij de leeftijd van 65 jaar bereikt, of zoveel later als het pensioen is ingegaan. 2.. In het geval, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van artikel 36 uitgegaan van het algemeen ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet. 3.. Indien aan de echtgenoot hetzij een pensioen, hetzij een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in artikel 40, vijfde lid, waarop met dit hoofdstuk overeenkomende bepalingen van toepassing zijn, hetzij enig ander pensioen als bedoeld in artikel 41, eerste lid, dat uit hoofde van zijn recht op algemeen pensioen wordt verminderd, is toegekend, wordt de diensttijd waarnaar het pensioen van de vrouw is berekend of geacht wordt te zijn berekend, voor het deel dat samenvalt of geacht wordt samen te vallen met de diensttijd van de echtgenoot, voor de toepassing van dit hoofdstuk niet in aanmerking genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel