Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk XVII

Artikel 249

Gemeentewet Bij de invordering van gemeentelijke belastingen blijven van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing de artikelen 5, 9, eerste tot en met negende lid, 20, 21, 59, 62 en 69. Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 7, derde lid, en 8, eerste lid, van die wet buiten toepassing. Vertaalbepaling Gemeentewet

Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2006

Vertaalbepaling Gemeentewet In artikel 231 van de Gemeentewet is de Invorderingswet 1990 van toepassing verklaard op de invordering van gemeentelijke belastingen. Tegelijkertijd zijn in artikel 249 van de Gemeentewet enkele artikelen van toepassing uitgezonderd. In deze Leidraad is bij de uitgezonderde artikelen steeds vermeld dat deze niet van toepassing zijn voor gemeenten. In artikel 231 van de Gemeentewet is tevens bepaald aan welke bestuursorganen van de gemeente de in de Invorderingswet genoemde bevoegdheden toekomen. Het gaat daarbij om een vertaling van de functionarissen die in artikel 2 van de wet worden genoemd naar bestuursorganen van de gemeente. Daar waar de Invorderingswet 1990 spreekt over Onze Minister is bij de gemeente het college van burgemeester en wethouders bevoegd. In deze leidraad is vastgelegd hoe de bevoegdheden ten aanzien van de invordering bij de gemeente zijn verdeeld tussen het college van burgemeester en wethouders, de invorderingsambtenaar en de functionarissen van de gemeente. § 1 Begrippen Woonplaats 1 Artikel 2 geeft een nadere omschrijving van in de wet gebruikte begrippen. Met opzet is er van afgezien in de wet een nadere omschrijving van het begrip woonplaats te geven. Omdat de wettelijke bepalingen in het kader van de invordering aansluiten bij de bepalingen inzake burgerlijke rechtsvordering, wordt onder woonplaats zo veel mogelijk verstaan het begrip woonplaats als bedoeld in artikel 1:10 tot en met 1:15 BW. Dit geldt in ieder geval met betrekking tot de op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in acht te nemen formaliteiten bij de invordering. Met nadruk wordt erop gewezen dat een in het kader van de heffing aan het college van burgemeester en wethouders opgegeven verblijfplaats niet zonder meer kan gelden als woonplaats. In het geval dat geen woonplaats in Nederland bekend is, verdient het bij twijfel over de werkelijke verblijfplaats de voorkeur te betekenen in persoon of overeenkomstig de overigens in artikel 54 Rv opgenomen wijze van betekenen. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van de eerste afdeling van hoofdstuk Vl van de wet kan voor de inhoud van de in die bepalingen gebruikte begrippen woon- plaats en plaats van vestiging veelal worden aangesloten bij de inhoud van die begrippen in de heffingswet op grond waarvan de belastingschuld, waarvoor de aansprakelijkheid wordt ingeroepen, is ontstaan. § 2 n.v.t. Artikel 3 Naar de inhoud De invorderingsambtenaar is belast met de invordering van de rijksbelastingen. Naast de bevoegdheden die de invorderingsambtenaar heeft ingevolge deze wet, beschikt hij ook over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling. In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak treedt de invorderingsambtenaar als zodanig in rechte op. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling de gevallen aanwijzen waarin de invordering van landbouwheffingen geschiedt door een ander dan de invorderingsambtenaar. § 1 Algemeen Civiele invordering 1 Het bepaalde in de volgende artikelen is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Fiscale en civiele mogelijkheden 2 De invorderingsambtenaar heeft al de bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Daarnaast beschikt hij op grond van de wet over specifieke bevoegdheden. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de invorderingsambtenaar zowel gebruik kan maken van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden als van specifieke fiscale bevoegdheden om hetzelfde doel te bereiken. Er bestaat, onverminderd hetgeen daaromtrent in het vijfde lid van de inleidende opmerkingen is gesteld, in dat geval geen algemene regel die bepaalt welke bevoegdheden voorgaan. In beginsel is de invorderingsambtenaar derhalve vrij in zijn keuze van invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Bij deze keuze worden desalniettemin de belangen van de gemeente zorgvuldig afgewogen tegen die van de belastingschuldige en eventuele derden. Het resultaat van deze belangenafweging moet de toets van behoorlijk bestuur kunnen doorstaan en bepaalt daarmee in belangrijke mate de grenzen van de keuzevrijheid van de invorderingsambtenaar. In de gevallen waarin de invorderingsambtenaar het wenselijk of noodzakelijk acht van gebruikmaking van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, geschiedt dit alleen indien het belang van de invordering bij een dergelijke wijziging opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. In dit verband moet worden bedacht dat enig nadeel bij een zodanige wijziging voor de belastingschuldige en de derde niet altijd te voorkomen zal zijn. 3 n.v.t. Aanspreken borg 4 Ingeval de belastingschuldige in gebreke is te betalen en er geen uitzicht is op spoedige betaling of verhaal dient direct de borg te worden aangesproken. Wel zal eerst de totale omvang van de verschuldigde belasting vastgesteld moeten worden. De schuld, waarvoor de borg wordt aangesproken, dient onherroepelijk vast te staan. Het aanspreken van de borg vindt zoveel mogelijk in één keer plaats. § 2 Conservatoir beslag Versnelde invordering 1 Om de rechten van de gemeente veilig te stellen voordat belastingaanslagen invorderbaar zijn, staan de invorderingsambtenaar veelal twee wegen open: gebruikmaking van versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet of het leggen van conservatoir beslag. Het geheel der feiten en omstandigheden bepaalt de keuze van de invorderingsambtenaar. Met name de noodzaak tot slagvaardig optreden zal er veelal toe leiden dat de keuze ten gunste van de versnelde invordering uitvalt. Gegronde vrees voor verduistering 2 Indien de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, legt de invorderingsambtenaar niet alsnog om dezelfde grond executoriaal beslag ingevolge de artikelen 10 en 15. Materiële schuld 3 In situaties waarin direct invorderingsmaatregelen nodig zijn om de inning van materieel verschuldigde belasting, waarvoor nog geen belastingaanslag is opgelegd, veilig te stellen, wordt zo veel mogelijk eerst de belastingschuld in een belastingaanslag geformaliseerd, waarna invorderingsmaatregelen worden genomen. Als het echter niet mogelijk is een belastingaanslag op te leggen, wordt alleen dan tot conservatoir beslag overgegaan als aan de materiële verschuldigdheid in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. Het opleggen van de belastingaanslag kan worden beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. De belastingaanslag wordt opgelegd binnen de termijn die de voorzieningenrechter daartoe stelt. Gebeurt dit niet dan vervalt het beslag, maar de mogelijkheid om de belastingaanslag op te leggen blijft bestaan. § 3 Faillissementsaanvraag Faillissementsaanvraag; algemeen 1 Een faillissement heeft voor een belastingschuldige doorgaans ingrijpende maatschappelijke gevolgen. Daarom weegt de invorderingsambtenaar bij de beslissing of tot aanvragen van faillissement moet worden overgegaan alle betrokken belangen zorgvuldig tegen elkaar af. Bij ondernemingen wordt daarbij met name aandacht besteed aan de mogelijke consequenties van het faillissement voor de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten alsmede gevolgen van het faillissement voor de werkgelegenheid van de betrokken werknemers. Voorts zal de invorderingsambtenaar alleen dan tot faillissementsaanvraag overgaan als de belastingschuldige verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (zie artikel I Fw). Onverminderd het vorenstaande blijft een faillissementsaanvraag achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is. De belastingaanslagen waarvoor het faillissement wordt aangevraagd, moeten onherroepelijk vaststaan ofwel in redelijkheid materieel verschuldigd kunnen worden geacht. Dit laatste zal moeten blijken uit een schriftelijke verklaring van de heffingsambtenaar. In dat geval is er geen reden een voorlopige aanslag buiten de faillissementsaanvraag te houden. Geen faillissement wordt aangevraagd gedurende de loop van een aan de belastingschuldige voor desbetreffende belastingaanslagen verleend uitstel van betaling. In dat geval wordt, voordat wordt overgegaan tot de aanvraag van het faillissement, het uitstel beëindigd. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 1A Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, wordt, als aan ten minste twee van de in artikel 19a, eerste lid, BW vermelde omstandigheden is voldaan, in beginsel de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die ertoe moeten leiden dat die rechtspersoon wordt ontbonden, boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon. Voor de te treffen maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van de rechtspersoon is toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. 2 n.v.t. Particulieren 3 Voor particulieren heeft een faillissement doorgaans vergaande emotionele en sociale gevolgen. Om die reden blijft voor deze groep belastingschuldigen het aanvragen van faillissement op voorhand achterwege als kan worden verwacht dat de aanwezige vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement door de invorderingsambtenaar kunnen worden uitgewonnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan. Onder particulieren moet in dit verband worden verstaan natuurlijke personen die niet een onderneming drijven dan wel zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen. Natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt, worden in dit verband niet beschouwd als particulieren. Onbeheerde nalatenschap 4 De beleidsuitgangspunten die zijn verwoord in de hiervoor genoemde leden gelden niet ingeval sprake is van een onbeheerde nalatenschap. Saneringsaanbod 5 Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om kwijtschelding of een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt, een en ander in de zin van artikel 26, § 21, van de leidraad, zal de invorderingsambtenaar de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het aanbod louter gedaan is om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het aanbod onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de invorderingsambtenaar het verzoek dan wel het aanbod bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. Verzoek uitstel van betaling 6 Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om uitstel van betaling doet, zal de invorderingsambtenaar de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek aan een nader onderzoek te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken indien op voorhand duidelijk is dat het verzoek louter gedaan is om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde uitstelbeleid en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de invorderingsambtenaar het verzoek bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. Toestemming 7 Voor iedere faillissementsaanvraag door de invorderingsambtenaar is de schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. Toestemming wordt in ieder geval niet verstrekt indien de door de invorderingsambtenaar voorgenomen faillissementsaanvraag niet past binnen het in deze paragraaf verwoorde beleid. 8 Vervallen 9 n.v.t. Verlenen steunvordering 10 Als een andere schuldeiser van de belastingschuldige het initiatief neemt om tot een faillissementsaanvraag over te gaan en hij daartoe de invorderingsambtenaar om gegevens over de belastingschuld verzoekt om deze te gebruiken als zogenaamde steunvordering bij de faillissementsaanvraag, verstrekt de invorderingsambtenaar deze gegevens alleen als dit in het belang van de invordering is. Voor het verstrekken van deze gegevens geldt niet hetgeen in het eerste tot en met het zevende lid van deze paragraaf is vermeld met betrekking tot faillissementsaanvraag door de invorderingsambtenaar. Wel is voor het verstrekken van deze gegevens toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist indien het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of een zelfstandig beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden (zie Inleidende opmerkingen, § 1, negende lid, van deze Leidraad). De gegevens worden uitsluitend schriftelijk verstrekt. Wanneer de invorderingsambtenaar zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, geldt wel hetgeen hiervoor is vermeld in het eerste, derde, zevende en achtste lid van deze leidraad. In dat geval is dus ook toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. Verzet 11 Als de invorderingsambtenaar gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot verzet als bedoeld in artikel 10 Fw. heeft hij hiervoor toestemming van het college van burgemeester en wethouders nodig. § 4 Procesvertegenwoordiging Juridische bijstand 1 Op grond van artikel 3, derde lid van de wet, treedt de invorderingsambtenaar in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak zelfstandig in rechte op. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR, hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR, beroepsprocedures en hoger beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen, kantonzaken, kortgedingprocedures, indien de invorderingsambtenaar gedaagde is. Toestemming 2 Alle door de invorderingsambtenaar te voeren gerechtelijke procedures waarin als eiser wordt opgetreden behoeven de toestemming van het college van burgemeester en wethouders. Het vorenstaande geldt niet voor, behoudens voorzover in het kader van hoger beroep te voeren: verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; kantonzaken; procedures tot het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. Van deze procedures dient echter uiterlijk nadat het vonnis is uitgesproken mededeling aan het college van burgemeester en wethouders te worden gedaan; procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, dan wel artikel 708, tweede lid, RV. 3 n.v.t. Artikel 4 Naar de inhoud Tot het verrichten van de bij of krachtens de wet aan een deurwaarder opgedragen werkzaamheden is, voorzover die werkzaamheden geschieden in opdracht van een invorderingsambtenaar en betreffen de vervolgingen voor de invordering van rijksbelastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd. § 1 Bevoegdheid belastingdeurwaarder Reikwijdte 1 Op grond van artikel 4 van de wet, is de belastingdeurwaarder bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortspruitende bevoegdheden van de invorderingsambtenaar. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg waartoe de invorderingsambtenaar op grond van artikel 3, tweede lid, gerechtigd is én die werkzaamheden die verricht moeten worden wanneer de invorderingsambtenaar zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. Bescherming van belastingdeurwaarder 2 Belastingdeurwaarders zijn, voorzover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Wanneer zij dus als zodanig in de rechtmatige uitoefening van hun bevoegdheden werkzaam zijn, genieten zij de strafrechtelijke bescherming die uit deze artikelen voortvloeit. Als sprake is van geweld of bedreiging met geweld jegens de belastingdeurwaarder, dan wel de verwachting bestaat dat deze situatie zich zal voordoen, kan de belastingdeurwaarder zich tot de politie wenden om zich te verzekeren van de nodige bescherming bij de door hem te verrichten handelingen. Artikel 5 Naar de inhoud Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke directeur, heffingsambtenaar of invorderingsambtenaar bevoegd is. Degene die de invorderingsambtenaar betrekt, dan wel door de invorderingsambtenaar wordt betrokken, in een rechtsgeding, kan zich niet beroepen op de wettelijke bepalingen betreffende de vraag welke invorderingsambtenaar bevoegd is. Gelet op het bepaalde in artikel 249 van de Gemeentewet is dit artikel niet van toepassing op gemeenten. Artikel 6 Naar de inhoud De bepalingen van deze wet strekken zich niet alleen uit tot de rijksbelastingen, maar ook tot de opcenten, de betalingskorting, de renten en de kosten. Onder opcenten worden verstaan niet alleen die welke ten behoeve van het Rijk, doch ook die welke ten behoeve van andere openbare lichamen worden geheven. § 1 Reikwijdte Invorderingswet Rente en kosten 1 Naast de gemeentelijke belastingen is de wet ook van toepassing op de daarmee samenhangende toeslagen, rente en kosten. Onder rente als bedoeld in dit artikel wordt alleen verstaan de invorderingsrente als bedoeld in artikel 28 e.v. Zij is derhalve voor de invordering zelfstandig te beschouwen als hoofdsom van belasting. Onder kosten wordt verstaan alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht in het kader van de invordering langs civielrechtelijke weg. De kosten van ambtelijke werkzaamheden worden op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel a van de wet, beschouwd als een gemeentelijke belasting. Artikel 7 Naar de inhoud De toerekening van de betalingen geschiedt achtereenvolgens aan: de kosten; de betalingskorting; de rente; de belastingaanslag. Toerekening van betalingen op een belastingaanslag geschiedt, behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken ingevolge het elders in deze wet bepaalde, naar evenredigheid aan de belasting, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende interesten, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boeten, aan de toeslagen en aan de opcenten, met dien verstande dat indien artikel 9.1, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 of artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, de toerekening in de eerste plaats geschiedt aan de belasting en vervolgens aan de premie volksverzekeringen. De invorderingsambtenaar is verplicht voor iedere contante betaling een kwitantie af te geven. § 1 Betaling en afboeking Toepassingsgebied Ingevolge artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 7, derde lid, niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven. Tijdstip betaling 1 Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de invorderingsambtenaar. Bij betaling door middel van storting van contant geld, pin of creditcardtransactie, alsmede transacties via telebankieren, geldt het uur en de dag van bijschrijving op de rekening van de invorderingsambtenaar (valutadatum) als tijdstip van betaling. Afboekingen betalingen 2 Zowel bij vrijwillige betalingen als bij betalingen die door invorderingsmaatregelen zijn afgedwongen kunnen zich vragen voordoen over de afboeking van de ontvangen bedragen, wanneer de belastingschuldige meer dan één belastingaanslag heeft openstaan. In dat geval gelden de volgende richtlijnen. Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7, eerste lid, van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen (zie ook het vijfde lid van deze paragraaf). Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken. Teveelbetaling 3 Wanneer de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald, terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. Gecombineerde) belastingaanslagen van minder dan € 6,00 en aanslagen waarvan de kosten van de invordering hoger zijn dan het aanslagbedrag (bijvoorbeeld betalingen in andere valuta) worden niet opgelegd. Zo worden terugbetalingen van minder dan € 6,00 niet uitgevoerd. Ontvangen bedragen uit executie, wettelijke schuldsaneringsregeling of faillissement 4 Na voldoening van de executiekosten wordt het door de belastingdeurwaarder afgedragen bedrag toegerekend aan de belastingaanslagen waarvoor de executie heeft plaatsgevonden. De afboeking op gelijk bevoorrechte schulden vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in het tweede en derde lid van deze paragraaf. Opgemerkt wordt dat de eventuele meeropbrengst van een executie niet kan worden verrekend met belastingaanslagen die niet in het beslag zijn begrepen. De beoogde afboeking kan worden bereikt door voor deze belastingaanslagen een vordering onder de belastingdeurwaarder te doen. Van deze mogelijkheid wordt afgezien als het overblijvende bedrag voortvloeit uit de verkoop van zaken die eigendom zijn van derden, zoals bij toepassing van artikel 22 van de wet. In dat geval keert de belastingdeurwaarder het overblijvende bedrag uit aan de betreffende derde. Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst. Hierbij wordt opgemerkt dat als meer belastingaanslagen ter verificatie zijn ingediend, eerst wordt afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslag. Splitsing in kosten, rente en belastingaanslag 5 De toerekening van een betaling op een belastingaanslag geschiedt achtereenvolgens aan de kosten, de rente en de belastingaanslag. Onder kosten worden verstaan alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. De kosten van ambtelijke werkzaamheden vallen niet onder de werking van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag (beslagkosten, taxatiekosten en dergelijke) worden toegerekend aan één van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. Onder rente wordt uitsluitend verstaan de invorderingsrente. De eerste € 25,00 aan invorderingsrente wordt niet in rekening gebracht. Als een door middel van executie ingevorderd bedrag onvoldoende is om daaruit alle kosten te bestrijden worden in de eerste plaats de aan de belastingschuldige in rekening gebrachte kosten die toekomen aan derden voor de door hen in het kader van de tenuitvoerlegging verrichte handelingen voldaan. Bestuurlijke boete 6 Behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken vanwege hetgeen voortvloeit uit de wet, bijvoorbeeld in het kader van de aansprakelijkheid, vindt op grond van artikel 7, tweede lid, van de wet toerekening van betalingen op een belastingaanslag plaats naar evenredigheid, te weten aan de belasting, de premies voor de werknemersverzekeringen, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boete. Als er sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete vindt toerekening van betalingen niet plaats naar evenredigheid aan de belasting en aan de bestuurlijke boete, maar vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift in hoger beroep. Wanneer echter, ondanks dit uitstel, zo veel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Wanneer op de bestuurlijke boete is afgeboekt en nadien wordt de bestuurlijke boete alsnog aangevochten dan blijven de afboekingen gehandhaafd. In de gevallen waarin op de bestuurlijke boete wordt afgeboekt, wordt ook op de eventueel daarop belopen invorderingsrente afgeboekt, ook wanneer de bestuurlijke boete nog niet onherroepelijk vaststaat. Aansprakelijkgestelden 7 Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde vindt toerekening plaats met inachtneming van de aansprakelijkstelling. Dit brengt met zich mee dat de aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening gebrachte vervolgingskosten eerst worden afgeboekt, aangezien deze kosten buiten het toepassingsgebied van artikel 7 van de wet vallen. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag, waarbij artikel 7 wel van toepassing is, echter met dien verstande dat op de op die aanslag zelf betrekking hebbende invorderingsrente en kosten alleen worden afgeboekt indien en voorzover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Het hierna van genoemd resterend bedrag overblijvende bedrag wordt op de belastingaanslag afgeboekt, met inachtneming van de toerekeningsbepaling van artikel 7, tweede lid, van de wet. Van deze toerekening naar evenredigheid wordt afgeweken indien de derde niet aansprakelijk is gesteld voor de bestuurlijke boete. Alsdan kan namelijk ook niet op de bestuurlijke boete worden afgeboekt. De invorderingsambtenaar licht zowel de belastingbeschuldige als de aansprakelijkgestelde schriftelijk in omtrent de afboeking van zijn betaling. Betalingen van kleine bedragen 8 Betalingen op belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd. Mocht in zodanig geringe bedragen en met zodanige frequentie worden afbetaald dat van nodeloze overlast moet worden gesproken, dan treedt de invorderingsambtenaar in overleg met de betaler teneinde wijziging in diens betalingsgewoonte te brengen. Betaling bij vergissing 9 Met de terugbetaling van een bedrag, dat is voldaan ten gevolge van enigerlei vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling rechtsgeldig heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en de invordering niet zondermeer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald. tenzij ten behoeve van de invorderingsambtenaar wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegenertijd op juiste wijze zal worden voldaan. Kwitantie 10 In alle gevallen waarin betaling plaatsheeft aan de belastingdeurwaarder wordt een kwitantie afgegeven. Ook wordt een kwitantie afgegeven in de gevallen waarin ten kantore van de invorderingsambtenaar wordt betaald. Indien en voorzover op de (kas)kwitantie een bedrag aan rente is verantwoord, is er sprake van een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 30 van de Invorderingswet. Betaling door middel van een bank- of giro-overschrijving is geen contante betaling in de zin van artikel 7, derde lid van de wet. In die gevallen gelden bank- en giro-afschriften als overschrijvingsbewijs. Bij betaling door storting op het postkantoor of bank op rekening van de invorderingsambtenaar geldt het afgestempelde strookje van het stortings- of acceptgiroformulier als stortingsbewijs. Als dag van betaling wordt bij een girale betaling de dag van bijschrijving op een rekening van de invorderingsambtenaar beschouwd. Wanneer een verzoek om afgifte van een duplicaatkwitantie wordt gedaan, wordt hieraan tegemoet gekomen door de ontvangst van het desbetreffende bedrag per brief te bevestigen. Mededeling afboeking 11 De belastingschuldige wordt van iedere afboeking van een betaling schriftelijk op de hoogte gesteld, tenzij het betreft een slotbetaling op een belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt. Een kennisgeving blijft voorts achterwege indien betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt. Vrijwillig betaalde belasting 12 Als bij de verwerking van een bedrag dat als vrijwillig betaalde belasting (het zogenaamde gewetensgeld) zou kunnen worden verantwoord blijkt, dat terzake nog een belastingaanslag (navorderings- of naheffingsaanslag) kan worden opgelegd, wordt die aanslag, nadat deze is opgelegd, zoveel mogelijk uit het gestorte bedrag voldaan. Hoofdstuk II Invordering in eerste aanleg Artikel 8 Naar de inhoud De invorderingsambtenaar maakt de belastingaanslag bekend door toezending of uitreiking van het door de heffingsambtenaar voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet, met dien verstande dat een uitnodiging tot betaling, door de heffingsambtenaar vastgesteld in de vorm van een elektronisch bericht, door de invorderingsambtenaar langs elektronische weg aan de belastingschuldige wordt toegezonden. Een belastingaanslag is door de belastingschuldige in zijn geheel verschuldigd. § 1 Invordering in eerste aanleg Toepassingsgebied Ingevolge artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 8, eerste lid niet van toepassing bij de invordering van de gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven. Begin invordering 1 Artikel 8 van de wet bevat de bepalingen die het begin van de invordering van een belastingaanslag regelen. De heffingsambtenaar stelt het bedrag van de belastingaanslag vast en maakt ter zake daarvan een aanslagbiljet op. Daarmede wordt de uit de wet voortvloeiende materiële schuld geformaliseerd. Vervolgens maakt de invorderingsambtenaar de belastingaanslag bekend door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet aan de belastingschuldige. Verzending/uitreiking aanslagbiljet 2 Artikel 8, eerste lid, van de wet verplicht de invorderingsambtenaar het door de heffingsambtenaar opgemaakte aanslagbiljet toe te zenden of aan de belastingschuldige uit te reiken. De toezending of uitreiking vormt de eerste daad van invordering. Aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde worden aan de curator gezonden. Ingeval van faillissement wordt het aanslagbiljet aan de curator gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt, dan wel een boedelschuld vormt. Wanneer de belastingschuldige minderjarig is, wordt het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al bezwaren heeft opgeleverd. Aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden. worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. Uitnodigingen tot betaling, door de heffingsambtenaar vastgesteld in de vorm van een elektronisch bericht, worden door de invorderingsambtenaar langs elektronische weg aan de belastingschuldige toegezonden. Verzending via TPGPost 3 Voor de verzending van de aanslagbiljetten en andere bescheiden maakt de invorderingsambtenaar gebruik van de diensten van de TPGpost. Uitreiking 4 Als de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht verzendt hij het aanslagbiljet niet, maar reikt hij het biljet aan de belastingschuldige dan wel aan diens wettelijke vertegenwoordiger uit. Meer belastingschuldigen 5 n.v.t. Betalingsplicht aangeslagene 6 De gehoudenheid van de belastingschuldige tot betalen wordt niet geheel of gedeeltelijk ongedaan gemaakt door de omstandigheid, dat de in de belastingaanslag formeel tot uitdrukking gebrachte schuld afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. In dit verband wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaarschrift (zie artikel 25, paragraaf 2 van deze leidraad). Vooraf inlichten erfgenamen e.d. 7 Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zo veel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijke termijn te voldoen. Voordat verhaal wordt gezocht op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken of op goederen, verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, licht de invorderingsambtenaar de andere belanghebbende(n) dan de belastingschuldige zo veel mogelijk omtrent zijn voornemen in. Artikel 9 Naar de inhoud Een belasting aanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. In afwijking van het eerste lid is een navorderingsaanslag, alsmede een conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting invorderbaar één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en een naheffingsaanslag invorderbaar veertien dagen na dagtekening van het aanslagbiljet. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, is opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor die belastingaanslag. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake heffings- of revisierente is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de belastingaanslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, waarop de heffings- of revisierente betrekking heeft. Een uitnodiging tot betaling, alsmede een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende interesten, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet, is invorderbaar tien dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting en een voorlopige conserverende aanslag in de inkomstenbelasting, waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand, die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Indien de toepassing van de eerste volzin niet leidt tot meer dan twee maandelijkse termijnen, vindt het eerste lid toepassing. In afwijking van het eerste en het vijfde lid is een belastingaanslag als bedoeld in het vijfde lid die een uit te betalen bedrag behelst, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er met inbegrip van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt aan het eind van de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt voor het jaar waarover deze is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er maanden van het jaar zijn. De eerste termijn vervalt aan het eind van de eerste maand van het jaar waarover de voorlopige aanslag is vastgesteld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. In afwijking van het tweede lid is terstond invorderbaar een naheffingsaanslag ter zake van: de belasting van personenauto's en motorrijwielen die is opgelegd aan een ander dan een vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, of de belasting zware motorrijtuigen, die is opgelegd aan de houder van een ander motorrijtuig dan bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de Wet belasting zware motorrijtuigen. In afwijking van het vierde lid is een uitnodiging tot betaling die is vastgesteld overeenkomstig een aangifte als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van het Communautair douanewetboek invorderbaar vijftien dagen na de maand volgend op die waarover de aangifte is gedaan. In afwijking in zoverre van de eerste volzin is de uitnodiging tot betaling ter zake van de aangifte over de maand februari invorderbaar na zestien maart. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de indiening van een bezwaar- of beroepschrift inzake een belastingaanslag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel