De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden.
Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is invorderbaar:
indien het een boete betreft als bedoeld in artikel 67b, 67c of 67f van de Algemene wet: met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdeel a;
indien het een boete betreft als bedoeld in artikel 67a, 67d of 67e van de Algemene wet: met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdeel b.
De belastingverordening kan van het bepaalde in de voorgaande leden afwijkende regels inhouden.
§ 1 Betalingstermijnen Algemeen 1 De belastingverordening of artikel 9 bevat de regeling betreffende de betalingstermijnen waarbinnen belastingaanslagen moeten worden betaald. De toegestane betalingstermijnen moeten onverkort door de belastingschuldige kunnen worden benut, tenzij artikel 10 van de wet door de invorderingsambtenaar van toepassing wordt verklaard. 2 n.v.t. 2a n.v.t. Dagtekening 3 De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. Begrip 'maand' 4 Het in artikel 9 gehanteerde begrip 'maand' heeft dezelfde inhoud als het begrip 'maand' dat in de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt gehanteerd. Termijnverlenging 5 Op de betalingstermijnen van artikel 9 van de wet is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. Voor gemeentelijke belastingen waarvan afwijkende betalingstermijnen zijn opgenomen is, gelet op artikel 145 van de Gemeentewet, de Algemene termijnenwet wel van toepassing. Bezwaar- of beroepschrift schorst betalingsverplichting niet 6 De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de enkele omstandigheid dat een bezwaar- of beroepschrift tegen de belastingaanslag is ingediend. Op grond van artikel 25 van de wet kan de invorderingsambtenaar uitstel van betaling verlenen voor (een gedeelte van) de opgelegde belastingaanslag. In dit verband wordt verwezen naar het vermelde onder artikel 25 van deze leidraad. Artikel 10 Naar de inhoud
In afwijking van artikel 9 is een belastingaanslag van de belastingschuldige terstond en tot het volle bedrag invorderbaar indien:
de belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard;
de invorderingsambtenaar aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd;
de belastingschuldige Nederland metterwoon wil verlaten dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar een plaats buiten Nederland, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald;
de belastingschuldige buiten Nederland woont of gevestigd is dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft en de invorderingsambtenaar aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald;
op goederen waarop een belastingschuld van de belastingschuldige kan worden verhaald beslag is gelegd voor zijn belastingschuld;
goederen van de belastingschuldige worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden; g ten laste van de belastingschuldige een vordering wordt gedaan als bedoeld in artikel 19, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald; h met inachtneming van artikel 198 van het Communautair douanewetboek ten laste van de belastingschuldige aanvulling of vervanging van een gestelde zekerheid is geëist, doch die aanvulling of vervanging niet tijdig overeenkomstig artikel 56 van de Douanewet wordt verricht.
Het eerste lid is in de gevallen bedoeld in de onderdelen a, e, f en g niet van toepassing op een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld.
Het eerste lid is in het geval, bedoeld in onderdeel h, uitsluitend van toepassing op een uitnodiging tot betaling en op een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende interesten, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet.
§ 1 Versnelde invordering Algemeen 1 In artikel 10, eerste lid van de wet is een limitatieve opsomming gegeven van bijzondere situaties waarin de invorderingsambtenaar met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen, teneinde te voorkomen dat de invordering illusoir zou worden. Vervaldagen op het aanslagbiljet 2 Ook als op grond van de wettelijke bepalingen de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is, worden, behoudens de gevallen bedoeld in de eerste volzin van het volgende lid van deze paragraaf, op het aanslagbiljet desalniettemin de vervaldagen vermeld. Reikwijdte versnelde invordering 3 Als de invorderingsambtenaar het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering als bedoeld in artikel 10 over te gaan, vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de invorderingsambtenaar op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden, maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is, deelt de invorderingsambtenaar belastingschuldige, onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat, schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het biljet vermelde termijnen niet meer gelden. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 wordt overgegaan, als sprake is van direct contact met de belastingschuldige, deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend, doch voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken, (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) vermeldt de invorderingsambtenaar op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving artikel 15, jo artikel 10, eerste lid van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de in dat kader geldende twee-dagen termijn nog niet is verstreken. Er behoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt, als sprake is van direct contact met laatstgenoemde, eerst in de gelegenheid gesteld onmiddellijk te betalen. Van feiten en omstandigheden op grond waarvan de invorderingsambtenaar tot zijn beslissing is gekomen, houdt hij aantekening in het invorderingsdossier. Voor het geval de belastingschuldige nadere gegevens wenst over de genomen maatregelen, kan hij zich altijd wenden tot de invorderingsambtenaar die het noodzakelijk heeft geacht om tot versnelde invordering over te gaan. De invorderingsambtenaar zal dan de gegevens, waaronder desgevraagd de concrete feiten en omstandigheden die de aanleiding vormden om tot versnelde invordering over te gaan, op zo kort mogelijke termijn schriftelijk aan de belastingschuldige meedelen. Een op grond van artikel 10, eerste lid, terecht geheel opeisbaar geworden belastingaanslag, blijft geheel opeisbaar, ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de invorderingsambtenaar in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(en) die normaal zou(den) gelden. 4 n.v.t. Faillissement en de wettelijke schuldsaneringsregeling (eerste lid, onderdeel a) 5 Zodra het de invorderingsambtenaar bekend is dat de belastingschuldige in staat van faillissement verkeert dan wel ten aanzien van hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, zal hij onmiddellijk de openstaande belastingschuld ter verificatie melden bij de curator in het faillissement onderscheidenlijk bij de bewindvoerder van de schuldenaar ten aanzien van wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Belastingschulden van minder dan € 250 worden niet aangemeld. Als na de faillietverklaring of nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken nieuwe belastingaanslagen worden opgelegd kan de invorderingsambtenaar deze, eveneens onmiddellijk, bij de curator onderscheidenlijk de bewindvoerder melden. Vrees voor verduistering (eerste lid, onderdeel b) 6 Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake als de invorderingsambtenaar aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is, dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, doch ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden, zoals bijvoorbeeld door gedragingen van crediteuren, die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Wordt verduistering gevreesd van goederen waarvan de invorderingsambtenaar vermoedt dat het zaken van belastingschuldige zijn terwijl het daarentegen later blijken uitsluitend goederen van een derde te zijn, dan is van het begin af aan geen rechtsgeldig beslag gelegd. Alsdan is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, in die zin dat het moet gaan om goederen van de belastingschuldige, en derhalve kan er geen sprake zijn van een rechtsgeldig gelegd beslag. Het beslag behoeft in die gevallen derhalve niet formeel te worden opgeheven, maar de betrokkenen dienen wel op de hoogte te worden gesteld van het feit dat het beslag niet ligt. Wordt verduistering gevreesd van goederen die daadwerkelijk eigendom zijn van de belastingschuldige dan is de belastingaanslag 'terstond en tot het volle bedrag invorderbaar'. Metterwoon verlaten van Nederland (eerste lid, onderdeel c) 7 Naast het redelijke vermoeden van de invorderingsambtenaar dat de belastingschuldige voornemens is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de invorderingsambtenaar alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, sub c, dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren, er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op zich in Nederland bevindende zaken van de belastingschuldige. Het vorenstaande leidt uitzondering indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de schuld wel kan worden verhaald. Geen vaste woonplaats in Nederland (eerste lid, onderdeel d) 8 Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zichzelf geen reden voor de invorderingsambtenaar om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er dient een situatie te bestaan waarin de invorderingsambtenaar er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. In dit verband valt te denken aan een situatie waarin een in het buitenland wonende belastingschuldige al zijn goederen in Nederland gaat verkopen. In de gevallen waarin de belastingschuldige in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, is deze veelal moeilijk traceerbaar. Als in zo'n situatie ook geen duidelijk traceerbare verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn vormen deze omstandigheden in onderlinge samenhang voldoende reden om gegronde vrees voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslag aanwezig te achten. Er ligt al beslag (eerste lid, onderdeel e) 9 Als beslag is gelegd voor een belastingschuld van de belastingschuldige en tijdens de duur van dat beslag worden nieuwe belastingaanslagen opgelegd dan kan de invorderingsambtenaar die nieuwe belastingaanslagen, net als de reeds opgelegde belastingaanslagen waarvoor hij nog geen beslag heeft gelegd versneld invorderen. N.B. Dit geldt alleen als de invorderingsambtenaar al beslag heeft laten leggen. Verkoop namens derden (eerste lid, onderdeel f) 10 Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale verkoop, zodat de invorderingsambtenaar op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat de verkoop zal plaatshebben. Tot die maatregelen behoort bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het leggen van een cumulatief beslag. Vordering ex artikel 19 (eerste lid, onderdeel g) 11 De invorderingsambtenaar heeft krachtens artikel 19 van de wet de bevoegdheid zogenaamd vereenvoudigd derdenbeslag te leggen. Het gaat hier om bepaalde in genoemd artikel nader omschreven categorieën derden aan wie de invorderingsambtenaar een vordering kan doen om hetgeen die derden aan de belastingschuldige verschuldigd zijn of ten behoeve van hem onder zich hebben aan te wenden voor de betaling van belastingaanslagen van de belastingschuldige. De in artikel 10, eerste lid, onderdeel g, van de wet omschreven situatie is te vergelijken met die genoemd in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, waarin de invorderingsambtenaar beslag heeft gelegd op de goederen van de belastingschuldige voor een belastingschuld van die belastingschuldige zelf, met dien verstande dat onderdeel g niet van toepassing is als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald. Als de invorderingsambtenaar met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien komen andere belastingaanslagen op, dan kunnen ook die belastingaanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe belastingaanslagen nog niet zijn verstreken. Met de strekking van artikel 10, eerste lid, onderdeel g, is overigens niet verenigbaar dat de invorderingsambtenaar een vordering als bedoeld in artikel 19 zou doen enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. 12 n.v.t. Hoofdstuk III Dwanginvordering Artikel 11Naar de inhoud Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de invorderingsambtenaar hem schriftelijk aan om alsnog binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de belastingschuldige anders door de middelen bij de wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen. De aanmaning kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen. § 1 Aanmaning Eerste vervolgingsmaatregel 1 Als een belastingaanslag niet binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, wordt overgegaan tot vervolging van de belastingschuldige. Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de invorderingsambtenaar de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden.
Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, verzendt de invorderingsambtenaar een aanmaning of gaat hij over tot het uitbrengen van een dagvaarding. Zie voor de keuze tussen deze twee mogelijkheden hetgeen bij artikel 3 van deze leidraad is vermeld.
Artikel 11
van de wet ziet op de verzending van een aanmaning. De aanmaning is geen beschikking in de zin van de Awb, maar slechts een sommatie tot betalen.
Toezending van een aanmaning blijft in de volgende situaties achterwege:
aan een vordering op grond van artikel 19 van de wet behoeft geen aanmaning te zijn voorafgegaan als deze vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement;
in het geval van versnelde executie (artikelen 10 en 15 van de wet) kan verzending van een aanmaning achterwege blijven;
als een termijndwangbevel door beslaglegging wordt tenuitvoergelegd, kunnen bij datzelfde dwangbevel alle vervallen termijnen worden ingevorderd (artikel 16 van de wet), zonder dat voor de tussenliggende termijnen een aanmaning wordt verzonden;
n.v.t.
als het openstaande bedrag minder bedraagt dan € 6,00.
Wanneer de vervolging geschiedt langs civielrechtelijke weg behoeft de dagvaarding niet eerst vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel wordt, behoudens wanneer tevoren reeds conservatoir beslag is gelegd, in deze gevallen eerst een aanmaning verzonden. Achterwege laten tussentijdse (termijn)vervolging 2 Vervolging niet zijnde eindvervolging, blijft in het algemeen achterwege indien het achterstallige bedrag kleiner is dan één tiende deel van de (verlaagde) belastingaanslag. Een tussentijdse vervolging die, beoordeeld naar vorenstaande, terecht is aangevangen, wordt na de verzending van de aanmaning voor zoveel nodig ook voortgezet. Aan wie wordt de aanmaning gezonden 3 De aanmaning wordt gezonden aan degene aan wie het aanslagbiljet is gezonden. Blijkt evenwel naderhand dat de belastingschuldige minderjarig is of onder curatele staat, dan wordt, als de vervolging moet worden voorgezet, alsnog een aanmaning gezonden aan het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Is de belastingschuldige overleden dan wordt de aanmaning gezonden aan de gezamenlijke erfgenamen tenzij de invorderingsambtenaar bekend is dat de nalatenschap al is verdeeld, in welk geval een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk wordt gezonden. Adressering en verzending 4 De betekenis van de aanmaning brengt mee dat alle zorg dient te worden besteed aan de juiste verzending: de omstandigheid dat artikel 17 van de wet geen verzet toelaat op grond van de bewering dat geen aanmaning is ontvangen, doet niet af aan de verplichting van de invorderingsambtenaar ook hier zorgvuldigheid te betrachten. Ten onrechte aanmaning verzonden 5 Indien een belanghebbende zich tot de invorderingsambtenaar wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, wordt de vervolging niet voortgezet voordat de zaak tot klaarheid is gebracht. Wanneer echter de invorderingsambtenaar concrete aanwijzingen heeft dat in dat geval moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren kunnen zo nodig die maatregelen worden genomen die de rechten van de invorderingsambtenaar veilig stellen. Gedeeltelijke voldoening 6 Wordt na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag voldaan dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. Bestuurlijke boete 7 Als sprake is van een boetebeschikking die in verband staat tot een bepaalde belastingaanslag en op het desbetreffende aanslagbiljet is vermeld en voor deze bestuurlijke boete geen uitstel van betaling is verleend als bedoeld in artikel 25, paragraaf 1, lid 14, van deze leidraad wordt de dwanginvordering aangevangen voor zowel de belasting als de bestuurlijke boete. Wanneer voor de bestuurlijke boete wel uitstel van betaling is verleend als bedoeld in artikel 25, §1, lid 14, van deze leidraad, dan is de bestuurlijke boete invorderbaar nadat op het bezwaar- dan wel beroepschrift is beslist. Gedurende het voormelde uitstel wordt de dwanginvordering alleen voor de belasting en de daarop betrekking hebbende rente en kosten ter hand genomen. De aanmaning heeft in dit geval dus niet mede op de bestuurlijke boete betrekking. Zo nodig wordt na afloop van het uitstel de dwanginvordering voor de bestuurlijke boete en de daarop betrekking hebbende rente en kosten apart opgestart. De dwanginvordering van zogenaamde losse boetebeschikkingen vangt aan twee maanden na dagtekening van die beschikking. Wanneer voor de losse boetebeschikking uitstel van betaling is verleend als bedoeld in artikel 25, §1, lid 14, van deze leidraad, vangt de dwanginvordering ook in dat geval pas aan nadat op het bezwaar- dan wel beroepschrift is beslist. Artikel 12 Naar de inhoud Indien de belastingschuldige na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van de belastingaanslag geschieden bij een door de invorderingsambtenaar uit te vaardigen dwangbevel. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen. § 1 Het dwangbevel Algemeen 1 De invorderingsambtenaar ziet er nauwlettend op toe dat de uitvaardiging van dwangbevelen op de juiste wijze geschiedt. Het dwangbevel is een beschikking in de zin van de Awb. Het karakter van het dwangbevel brengt mee dat alle zorg wordt besteed aan juiste opmaking. In het bijzonder wordt daaraan aandacht geschonken indien het dwangbevel wordt verleend tegen een ander dan de belastingschuldige; dan moet duidelijk blijken op welke gronden dit geschiedt. Voorts wordt het dwangbevel op duidelijk leesbare wijze ingevuld en blijft het stellen van aantekeningen ook op de achterzijde zoveel mogelijk beperkt tot datgene waarmee in de tekst rekening is gehouden. Onderwerp van het dwangbevel 2 Een dwangbevel wordt uitgevaardigd voor het per saldo verschuldigde bedrag van op een aanslagbiljet voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen respectievelijk voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden, verminderd met de inmiddels gedane betalingen, verleende verminderingen en bedragen waarvoor kwijtschelding is verleend. Tegen wie een dwangbevel wordt verleend 3 Een dwangbevel wordt verleend tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolger. Tegen een borg, ook al heeft deze zich verbonden als hoofdelijk medeschuldenaar, wordt geen dwangbevel verleend; als executoriale titel dient dan de grosse van de authentieke akte of een rechterlijk vonnis. Dwangbevelen betreffende belastingaanslagen van minderjarigen en onder curatele staande personen worden verleend tegen de belastingschuldige zelf. Als de invorderingsambtenaar met de minderjarigheid of curatele bekend is wordt dit in het dwangbevel tot uitdrukking gebracht. De invorderingsambtenaar hoeft, als de minderjarigheid of curatele hem niet bekend is, terzake niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als belastingschuld van een overledene moet worden verhaald op diens nog onverdeelde nalatenschap wordt één dwangbevel verleend tegen de gezamenlijke erfgenamen. In dat geval is het niet nodig dat de erfgenamen in het dwangbevel afzonderlijk worden vermeld. Dit is anders indien betekening op de voet van artikel 53, Rv niet mogelijk of niet wenselijk is en betekening plaats heeft aan alle erfgenamen afzonderlijk. In dat geval worden alle erfgenamen met naam en adres, alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel vermeld, zonder dat daarbij evenwel het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking wordt gebracht. Artikel 13 Naar de inhoud
De betekening van het dwangbevel geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten.
Indien de betekening geschiedt overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vermeldt de envelop, in afwijking van de tweede volzin van het tweede lid van dat artikel, in plaats van de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, welke invorderingsambtenaar de opdracht tot betekening heeft verstrekt, alsmede diens kantooradres en telefoonnummer.
De betekening van het dwangbevel met het bevel tot betaling kan ook geschieden door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de invorderingsambtenaar. Indien het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd als bedoeld in artikel 14, wordt het bevel tot betaling geacht te zijn betekend door de belastingdeurwaarder die belast is met de tenuitvoerlegging. Uit de ongeopende envelop waarin het afschrift ter post wordt bezorgd, blijkt naast de naam en het adres van de belastingschuldige, het kantooradres en telefoonnummer van de invorderingsambtenaar, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft.
Betekening op de voet van het derde lid is niet mogelijk ingeval:
de invorderingsambtenaar is gebleken dat de aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, of
de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a of onderdeel b.
Voor de toepassing van de artikelen 14, 19 en 20 wordt het dwangbevel met bevel tot betaling dat op de voet van het derde lid is betekend, geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van de terpostbezorging van het dwangbevel met bevel tot betaling.
§ 1. Betekening van het dwangbevelAlgemeen 1 Het dwangbevel is een beschikking in de zin van de Awb. In afwijking in zoverre van artikel 3:41 Awb wordt het dwangbevel bekendgemaakt door middel van betekening. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd. Tenuitvoerlegging van het dwangbevel is eerst mogelijk na betekening aan de belastingschuldige. Ook voor het doen van een vordering op grond van artikel 19 van de wet dient de invorderingsambtenaar te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel. Wijze van betekenen 2 De betekening van het dwangbevel kan plaatsvinden door de belastingdeurwaarder alsmede door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de invorderingsambtenaar. Betekening per post is echter niet mogelijk indien het de invorderingsambtenaar is gebleken dat de aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, hetgeen de invorderingsambtenaar over het algemeen slechts kan weten indien de aanmaning onbestelbaar retour is ontvangen. Betekening per post is evenmin mogelijk indien de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef of onderdeel a of b, van de wet.
Een dwangbevel per post blijft achterwege wanneer het openstaande bedrag € 6,00 of minder bedraagt.
Een dwangbevel betekent door de belastingdeurwaarder blijft achterwege wanneer het openstaande bedrag € 25,00 of minder bedraagt. Betekening per post 3 De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de invorderingsambtenaar. Op grond van de wet dient onder ter post bezorging te worden verstaan: het door de invorderingsambtenaar ter verzending aanbieden van het afschrift aan TPGpost. Als betekeningsdatum geldt, behoudens voor de toepassing van de artikelen 14, 19 en 20 van de wet (zie hierna), de datum van ter post bezorging. Door de ter post bezorging is de betekeningshandeling voltooid. De verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift vindt plaats per gewone post. Uit de ongeopende envelop waarin het afschrift ter post wordt bezorgd, blijkt naast de naam en het adres van de belastingschuldige, het kantooradres en telefoonnummer van de invorderingsambtenaar, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft. Het bevel tot betaling van de invorderingsambtenaar luidt tot betaling binnen twee dagen na de datum van ter post bezorging. In het kader van de tenuitvoerlegging wordt dat bevel geacht mede te zijn betekend door de belastingdeurwaarder die belast is met de tenuitvoerlegging. Uitsluitend voor de toepassing van de artikelen14, 19 en 20 van de wet, wordt het per post betekende dwangbevel met het bevel tot betaling geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van ter post bezorging. Dit betekent dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel alsmede de vordering op grond van artikel 19 van de wet in beginsel niet kunnen plaatsvinden binnen vier dagen na die datum. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. De genoemde termijn van vier dagen geldt niet indien de invordering, na betekening van het dwangbevel per post, wordt voortgezet met toepassing van artikel 15 van de wet. De fictie dat het per post betekende dwangbevel eerst wordt geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van ter post bezorging, geldt evenmin voor het tijdstip waarop de kosten van betekening verschuldigd zijn alsmede voor het tijdstip waarop stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden op grond van artikel 27, eerste lid, van de wet. Adressering van per post betekende dwangbevelen 4 Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het volgens de administratie van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geregistreerde adres van de belastingschuldige zijn. Indien de belastingschuldige de wens te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (bijvoorbeeld een postbusadres) kan verzending ook plaatsvinden aan dat andere adres. Indien achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en het de belastingschuldige niet heeft bereikt, wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Anders is dit indien het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen. In het laatste geval geldt het dwangbevel als betekend, tenzij sprake is van door de belastingschuldige aannemelijk te maken bijzondere omstandigheden op grond waarvan dient te worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt. Betekening door de belastingdeurwaarder 5 De betekening van het dwangbevel door de belastingdeurwaarder vindt plaats overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten, met dien verstande dat indien de betekening plaatsvindt overeenkomstig artikel 47 Rv, op de envelop, in afwijking van de tweede volzin van het tweede lid van dat artikel, melding wordt gemaakt van de invorderingsambtenaar die de opdracht tot betekening heeft verstrekt, alsmede van diens kantooradres en telefoonnummer. Wanneer er aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift dient achter te laten, wordt het dwangbevel betekend op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze wordt ook gevolgd wanneer de belastingdeurwaarder aan de persoon van de huisgenoot niet de verwachting kan ontlenen dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan die huisgenoot er toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk bereikt. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van het kantoor van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de invorderingsambtenaar van een andere gemeente. Een ruimere domiciliekeuze vindt slechts plaats wanneer daartoe gelet op de, van de omstandigheden afhankelijke, bijzondere wettelijke voorschriften aanleiding bestaat. Bijzondere gevallen 6 Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, dient alvorens tot tenuitvoerlegging daarvan kan worden overgegaan, mede te worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger. Zo nodig zal aan laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan. De betekening van een dwangbevel inzake successierecht vindt plaats op het adres van de in de aangifte gekozen woonplaats, tenzij het dwangbevel is verleend tegen één verkrijger afzonderlijk. Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie. Artikel 14 Naar de inhoud
Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
Tenuitvoerlegging op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van een dwangbevel, dat op de voet van artikel 13, derde lid, is betekend, geschiedt niet dan na betekening van een hernieuwd bevel tot betaling. De betekening van het hernieuwd bevel tot betaling geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten, met dien verstande dat indien de betekening geschiedt overeenkomstig artikel 47 van die wet het exploot van de belastingdeurwaarder een bevel inhoudt om binnen twee dagen te betalen; artikel 13, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het tweede lid vindt geen toepassing ingeval het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, terstond ten uitvoer kan worden gelegd.
§ 1 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel Tenuitvoerlegging van een per post betekend dwangbevel 1 Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd. Tenuitvoerlegging van het dwangbevel is eerst mogelijk na betekening aan de belastingschuldige. Indien het dwangbevel is betekend door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de invorderingsambtenaar, vindt de tenuitvoerlegging van het dwangbevel op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet plaats dan na betekening van een hernieuwd bevel tot betaling door de belastingdeurwaarder. De betekening van het hernieuwd bevel tot betaling vindt plaats overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten. Voor het exploot worden op grond van artikel 3, tweede lid, Kostenwet invordering rijksbelastingen kosten in rekening gebracht. Indien bij de betekening gevolg wordt gegeven aan het hernieuwde betalingsbevel, geeft de belastingdeurwaarder kwitantie voor het aldus aan hem betaalde bedrag. Voor het geven van deze kwitantie zijn geen kosten verschuldigd. Indien bij de betekening geen gevolg wordt gegeven aan het hernieuwde betalingsbevel, kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Indien de betekening echter geschiedt overeenkomstig artikel 47 Rv, luidt het hernieuwde betalingsbevel tot betaling binnen twee dagen na de datum van betekening van dat bevel. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel vindt, tenzij artikel 15 van de wet van toepassing is, eerst plaats na ommekomst van de genoemde termijn van twee dagen. Tenuitvoerlegging, keuze van maatregelen 1a De tenuitvoerlegging geschiedt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat toelaat de verschillende mogelijkheden van tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten. De vraag welke executoriale maatregelen worden genomen, wordt in de eerste plaats beantwoord door de invorderingsambtenaar.
Mate van souplesse 2 De tenuitvoerlegging van tegen dezelfde belastingschuldige uitgevaardigde dwangbevelen heeft zo veel mogelijk tegelijkertijd plaats. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Tevens dient de nodige souplesse te worden betracht. Dit brengt met zich mee dat zo nodig de formeel voorgeschreven handelwijze kan worden onderbroken, indien het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat, dan wel deze onderbreekt of beëindigt, als hij reden heeft te vermoeden dat de invorderingsambtenaar niet tot het geven van de beslagopdracht zou zijn overgegaan als hem alle omstandigheden bekend waren geweest, dan wel aangetoond kan worden dat de betaling dan wel een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25, § 1, eerste lid van deze leidraad en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist. Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, wordt niet eerder tot tenuitvoerlegging overgegaan dan nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:18 BW, is verstreken, tenzij alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. De termijn van drie maanden kan door de kantonrechter worden verlengd. In het geval dat de nalatenschap wordt vereffend, kan de invorderingsambtenaar gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. Wanneer het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de beslagen goederen overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag en met een dergelijke afdoening, gelet op het geheel der omstandigheden, naar het oordeel van de invorderingsambtenaar akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in deze leidraad geformuleerde beleid. Verzoek belastingdeurwaarder om onverwijlde voorziening 3 De belastingdeurwaarder kan op grond van artikel 438, vierde lid, Rv bij een executiegeschil dat om een onverwijlde voorziening vraagt zich rechtstreeks tot de voorzieningenrechter van de rechtbank wenden met een van het bezwaar opgemaakt proces-verbaal. Hij zal van deze bevoegdheid slechts gebruik maken met toestemming van de invorderingsambtenaar. 4 n.v.t. Betekening van het beslag aan de derde 5 Wanneer aan de belastingdeurwaarder of aan de invorderingsambtenaar wordt meegedeeld dat de in beslag genomen goederen eigendom zijn van een derde of hij hiervan op een andere wijze op de hoogte komt, wordt beslag aan de derde betekend. Wanneer de beweerdelijke derde-eigenaar, al voordat het beslag aan hem is betekend, administratief beroep instelt ex artikel 22 van de wet, maar geen verzet doet ex artikel 435, derde lid, Rv, wordt het beslag alsnog onmiddelijk aan de derde betekend, om aldus de termijn voor het doen van het (executie schorsende) verzet ex artikel 435 te doen ingaan. Als aan de eigendomsrechten van de derde niet behoeft te worden getwijfeld en de invorderingsambtenaar zich niet op enig verhaalsrecht kan beroepen, wordt het beslag opgeheven. Betekening van het beslag aan de derde blijft in dat geval dus achterwege. De derde wordt wel van de opheffing van het beslag op de hoogte gesteld. Overdracht invordering 6 Artikel 431a Rv geldt niet voor de overdracht van de invordering aan een andere gemeente. Bewaarder is gerechtelijke bewaarder 7 Waar in de navolgende paragrafen wordt gesproken van bewaarder wordt hiermee bedoeld de gerechtelijke bewaarder als bedoeld in het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij anders is aangegeven. Onttrekking 8 Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken - hetgeen strafbaar is ingevolge artikel 198 Sr - kan van dit feit ingevolge artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. Actio Pauliana 9 Als de invorderingsambtenaar wordt geconfronteerd met een situatie waarin hij door een of meer rechtshandelingen in zijn verhaalsmogelijkheden wordt benadeeld, kan de invorderingsambtenaar deze rechtshandeling(en) vernietigen. Daarbij geldt het bepaalde in artikel 3:45 e.v. BW. Een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging als bedoeld in artikel 3:49 BW geschiedt zoveel mogelijk schriftelijk. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan direct beslaglegging plaatsvinden op de goederen die door de rechtshandelingen buiten het verhaalsbereik van de invorderingsambtenaar zijn gebracht, mits gelijktijdig desbetreffende rechtshandeling buitengerechtelijk wordt vernietigd. De buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging kan in het beslagexploot zelf worden opgenomen. Voorts dient een verklaring tot vernietiging ook tot de andere bij de rechtshandeling betrokken partijen te worden gericht. Ten aanzien van registergoederen kan de vernietiging niet altijd buitengerechtelijk geschieden: zie hiervoor artikel 3:50, tweede lid, BW. Voor conservatoir paulianabeslag in afwachting van een rechterlijke uitspraak tot vernietiging wordt verwezen naar artikel 737 Rv. Opheffing na gedeeltelijke betaling 10 Als de invorderingsambtenaar een beschikking heeft afgegeven, inhoudende dat voor een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan, heft de invorderingsambtenaar de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald en/of aan die voorwaarden is voldaan. Opheffing beslag tegen betaling door een derde 11 Als de invorderingsambtenaar van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing van het beslag kan de invorderingsambtenaar hieraan zijn medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden:
het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige;
het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie;
de belangen van de gemeente worden niet geschaad.
De invorderingsambtenaar houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken en kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden.
11a
De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Behoudens bijzondere omstandigheden vindt op deze datum de openbare verkoop plaats, tenzij de invorderingsambtenaar ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn plaats zal vinden. In dat geval kan de invorderingsambtenaar besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. De nieuwe verkoopdatum wordt bij exploot aan de belastingschuldige medegedeeld, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de invorderingsambtenaar en de belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum behelst op zichzelf geen uitstel van betaling in de zin van artikel 25 van de wet. Dit neemt niet weg dat de executie ook kan worden aangehouden in verband met een verleend uitstel van betaling in de zin van artikel 25 van de wet. Over het algemeen wordt dit vastgelegd in een zogenoemde prolongatieovereenkomst, waarbij de invorderingsambtenaar tevens uitstel van betaling verleent.
Onderhandse verkoop 12 Als de invorderingsambtenaar tot uitwinning van het beslag op roerende zaken wil overgaan en onderhandse verkoop naar verwachting aanzienlijk meer zal opleveren dan de te verwachten opbrengst bij openbare verkoop kan de invorderingsambtenaar kiezen voor de onderhandse verkoop. Daarbij dient hij een open oog te houden voor de gerechtvaardigde belangen van eventuele derde-rechthebbenden die zich via het administratief beroep op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet of op andere wijze bij hem hebben bekendgemaakt. Die derden worden in de gelegenheid gesteld om een bedrag, dat ten minste gelijk is aan de koopprijs die kan worden verkregen bij onderhandse verkoop, aan te bieden ter opheffing van het beslag, in welk geval aan deze opheffing de voorkeur wordt gegeven boven onderhandse verkoop. Onderhandse verkoop en/of opheffing van het beslag vindt niet plaats indien hierdoor de belangen van de gemeente naar het oordeel van de invorderingsambtenaar worden geschaad. Strafrechtelijk beslag 13 Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 Rv (dus niet zijnde een beslag in het kader van een ontnemingsmaatregel) rust, wordt het door de belastingdeurwaarder gelegde beslag alleen vervolgd wanneer het strafrechtelijke beslag wordt opgeheven. Er bestaat geen bezwaar tegen dat het fiscale beslag blijft liggen zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt. 14 n.v.t. § 2 Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn Kennisgeving vooraf 1 Als de belastingdeurwaarder bij de woonplaats van de belastingschuldige niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444 Rv, blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege. De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer bij de woonplaats zal vervoegen. Een dergelijke handelwijze blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze verzet. Voor binnentreding in woningen en andere ruimten wordt verwezen naar § 1, Inleidende opmerkingen, lid 14, van deze leidraad. 2 n.v.t. Aanbod van betaling 3 Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, wordt deze betaling niet geweigerd. Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten. Er zijn bij deze betaling op grond van artikel 3, derde lid, Kostenwet kosten verschuldigd. In daartoe aanleiding gevende gevallen, bijvoorbeeld bij grote bedragen, kan de belastingdeurwaarder er voor kiezen om in plaats van de betaling te accepteren de belastingschuldige te vergezellen naar een postkantoor dan wel een bank alwaar belastingschuldige zijn betaling kan storten. In dat geval zijn geen kosten verschuldigd. Omvang van het beslag 4 Het beslag wordt gelegd op zo veel zaken als naar het oordeel van de belastingdeurwaarder ruimschoots voldoende zijn voor dekking van de openstaande schuld met inbegrip van rente en kosten. Er wordt alleen maar beslag gelegd op zaken die eigendom zijn van de belastingschuldige. Ook wanneer dat de in beslag te nemen zaken zich op verschillende plaatsen bevinden kunnen deze zaken door middel van één exploot van beslag in beslag worden genomen. Aanwezigheid andere ambtenaar 5 De invorderingsambtenaar kan de belastingdeurwaarder opdragen om zich door hem bij de beslaglegging te laten vergezellen ter aanwijzing van de in beslag te nemen zaken. Vordering tot vergoeding 6 Op grond van artikel 455a Rv vallen vorderingen tot vergoeding die na de beslaglegging in de plaats van de in beslag genomen zaak zijn getreden onder het beslag nadat het beslag aan de schuldenaar van die vordering is betekend. De belastingdeurwaarder kan verlangen dat de vordering aan hem wordt voldaan. De mededeling hiertoe aan de schuldenaar van die vordering geschiedt namens de belastingdeurwaarder door de invorderingsambtenaar. De hieruit voortvloeiende betaling valt onder de opbrengst van de executie. Zaken van derden 7 Als tegen de inbeslagneming van bepaalde roerende zaken tegenover de belastingdeurwaarder bezwaar wordt gemaakt op grond van het feit dat de zaken geen eigendom zijn van de belastingschuldige en de zaken van de belastingschuldige onvoldoende verhaal bieden, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet een beroepschrift in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 respectievelijk artikel 435 Rv. Indien de derde, met betrekking tot wie de eigendom wordt beweerd, bij de beslaglegging aanwezig is dan wel op het adres waar de beslaglegging plaats heeft woont of is gevestigd, betekent de belastingdeurwaarder het beslag direct na de beslaglegging ook aan deze derde. In de overige gevallen vindt betekening aan de derde na overleg met de invorderingsambtenaar binnen acht dagen na de beslaglegging plaats. In het geval echter aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en tevens vaststaat dat de invorderingsambtenaar zich niet op enig verhaalsrecht kan beroepen, blijft inbeslagneming achterwege. Voldoening zekerheidsschuld door de invorderingsambtenaar 8 Indien zaken worden aangetroffen die eigendom zijn van een derde en strekken tot zekerheid van een schuld die de belastingschuldige aan een derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud), kan de invorderingsambtenaar het restant van de schuld op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige. In dergelijke gevallen dient het buiten twijfel te zijn dat de executiewaarde van de desbetreffende zaak beduidend hoger is dan het restant van de bovengenoemde schuld. Het vorenstaande geldt mutatis mutandis ook als het gaat om bij een derde inbeslaggenomen zaken waarop een retentierecht rust. Zaken bij derden 9 Als zich zaken van de belastingschuldige bij een derde bevinden wordt hierop zo veel mogelijk beslag gelegd door middel van een beslag op roerende zaken, mits de derde hieraan zijn medewerking verleent. Als het de belastingdeurwaarder echter feitelijk onmogelijk is de zaken zelf te zien dan wel te inventariseren, en/of de derde geen medewerking verleend, dan wel een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, wordt op deze zaken beslag gelegd door middel van een derdenbeslag. Doet de derde een beroep als bedoeld in artikel 461d Rv nadat het exploot van beslag op roerende zaken al is afgesloten, dan wordt geen afzonderlijk derdenbeslag gelegd maar geldt dat beslag als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder draagt er zorg voor dat in dat geval binnen drie dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv wordt gelaten. Dit geldt ook als de derde voormeld beroep niet doet, maar de verwachting is gerechtvaardigd dat hij dat voor de executoriale verkoop nog zal doen. Wegvoeren van beslagen zaken 10 Nadat op roerende zaken beslag is gelegd wordt zo veel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten. Onder bijzondere omstandigheden kan hiervoor worden afgeweken en kan nadat het beslag is gelegd door de belastingdeurwaarder worden overgegaan tot het wegvoeren van de beslagen zaken. Er wordt tevens een bewaarder aangesteld. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de invorderingsambtenaar niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de inbeslaggenomen zaken. De invorderingsambtenaar kan onder omstandigheden aansprakelijk worden gesteld voor de schade die het gevolg is van gedragingen van de bewaarder die jegens de beslagene onrechtmatig zijn. Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruikgemaakt:
als dit voor het behoud van de zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (bijvoorbeeld omdat de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd); en
de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet volledig kan worden ingevorderd; en
de invorderingsambtenaar na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht.
Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt, of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd.
Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt:
als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet volledig kan worden ingevorderd; en
de invorderingsambtenaar na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht.
Het inventariseren, wegvoeren en opslaan van de zaken geschiedt onder verantwoordelijkheid van ten minste twee ambtenaren. De zaken worden in een daartoe geschikte, veilige ruimte opgeslagen en worden zo nodig verzekerd. Van het wegvoeren en de opslag wordt op grond van artikel 446, tweede lid, Rv een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt, dat binnen drie dagen na het wegvoeren aan de belastingschuldige en aan de bewaarder wordt betekend. 11 n.v.t. 12 n.v.t. Afsluiting 13 De belastingdeurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich bevinden overgaan, wanneer de omstandigheden als genoemd in het tiende lid van deze paragraaf zich voordoen en de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd. Van de afsluiting wordt een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt, dat binnen drie dagen na de afsluiting aan de belastingschuldige en aan de bewaarder wordt betekend. Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan. Bewaarder 14 Als zaken op grond van het tiende lid van deze paragraaf worden weggevoerd of op grond van lid 13 afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal als genoemd in het tiende lid respectievelijk lid 13 van deze paragraaf. Wanneer een gemeenteambtenaar als bewaarder wordt aangesteld, is dit zo veel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de belastingdeurwaarder die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven. De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen zaken over welke hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd en/of opgeslagen op een wijze die het risico van meer dan voor de onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk fysiek en/of economisch bederf minimaliseert. De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten dienen in een redelijke verhouding te staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende zaken. Tijdens de periode dat het beslag ligt wordt in ieder geval in de navolgende gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder aangesteld:
wanneer de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarschap verbonden taken uit te oefenen;
wanneer de bewaarder is overleden (in dit geval behoeft het bewaarderschap niet uitdrukkelijk meer te worden ontnomen);
wanneer een gemeenteambtenaar tot bewaarder is aangesteld: wanneer deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag.
Ontslag van een bewaarder geschiedt steeds schriftelijk; in voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploit geschieden. Cumulatief beslag 15 Als op de roerende zaken van de belastingschuldige al beslag is gelegd kan hierop opnieuw beslag worden gelegd zolang de executoriale verkoop nog niet is aangevangen. Het cumulatief beslag dient zo spoedig mogelijk te worden betekend aan de deurwaarder die het eerste beslag heeft gelegd en aan de bewaarder. Als deze eerste deurwaarder een belastingdeurwaarder is die tot dezelfde gemeente behoort als de beslagleggende belastingdeurwaarder blijft deze betekening achterwege. Bij het cumulatief beslag worden de zaken geïnventariseerd en in het proces-verbaal van beslag omschreven als ware het een eerste beslag. Bij het cumulatief beslag wordt een verkoopdatum vastgesteld met inachtneming van artikel 462 Rv. Dit laat onverlet dat de verkoop eerder kan plaatsvinden als de eerste beslaglegger tot verkoop overgaat. Wanneer bij het cumulatief beslag zaken in beslag zijn genomen die niet vallen onder een eerder beslag dan is het cumulatief beslag voor die zaken het eerste beslag en wordt voor deze zaken de verkoopdatum vastgesteld overeenkomstig artikel 462 Rv. Volgt prolongatie van dit cumulatieve beslag, hetgeen tezamen met de eerstvolgende prolongatie van het eerste beslag kan geschieden, dan wordt voor de vaststelling van opvolgende verkoopdata zo veel mogelijk aangesloten bij de datum van verkoop die voor het eerste beslag wordt of is bepaald. Wanneer tot executoriale verkoop wordt overgegaan draagt de invorderingsambtenaar er zorg voor dat de verkoop zo veel mogelijk voor alle openstaande belastingaanslagen plaatsvindt. Dit brengt met zich mee dat voor de belastingaanslagen waarvoor nog geen beslag is gelegd voor de aanvang van de verkoop, zo nodig met toepassing van de artikelen 10 en 15 van de wet, cumulatief beslag wordt gelegd. Prolongatie 16 n.v.t.
Executoriale verkoop computerapparatuur 17 Wanneer op de wijze van artikel 439 e.v. Rv beslag op computerapparatuur is gelegd, dan valt alleen de zogenaamde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder dient, voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan, na te gaan of deze apparatuur nog de zogenaamde 'soft-ware' zoals bestanden, pro- gramma's, en dergelijke, bevat. Is dat het geval, dan dient de belastingschuldige de mogelijkheid te worden geboden om die bestanden, et cetera te verwijderen en een back-up te maken. Hierna kan worden overgegaan tot het formatteren van de harde schijf op een zodanige wijze dat alle bestanden, etc. worden gewist. Zo nodig dient voor deze werkzaamheden (extern) deskundige hulp te worden ingeroepen. De kosten die de invorderingsambtenaar in verband met deze hulp moet maken, worden aan belastingschuldige op grond van artikel 6 Kostenwet invordering rijksbelastingen in rekening gebracht. Zilveren, gouden en platina werken 18 De invorderingsambtenaar dient er voor zorg te dragen dat geen zilveren, gouden of platina werken, die niet zijn voorzien van de volgens de Waarborgwet 1986 (Wet van 29 januari 1987, Stb. 38) vereiste stempeltekenen, in openbare verkoping worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoping waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen is de invorderingsambtenaar verplicht ten minste drie dagen tevoren aangifte te doen bij Verispect BV, Postbus 654, 2600 AR te Delft (tel. nr. 015-2691500 en faxnr. 015-2850507). Bij de aangifte vermeldt de invorderingsambtenaar in ieder geval de navolgende gegevens:
naam, adres en hoedanigheid van de belastingschuldige ten laste van wie de verkoop plaatsvindt;
in hoeverre de werken volgens de invorderingsambtenaar krachtens artikel 5 van de Waarborgwet 1986 aan waarborg zijn onderworpen;
de tijdstippen van kijkdagen en verkoop;
het adres waar de verkoop zal plaatsvinden;
naam, kwaliteit en adres van de contactambtenaar ten kantore;
eventuele overige voor de Waarborg van belang zijnde gegevens.
De aangifte geschiedt schriftelijk en wordt door de invorderingsambtenaar ondertekend. Namaakzaken 19 Als zaken in beslag zijn genomen waarvan het vermoeden bestaat dat het zaken met een vals keurmerk zijn (sieraden, horloges en dergelijke) worden deze zaken ter keuring aan worden deze zaken aangemeld bij Verispect BV. Als inderdaad sprake is van valse keurmerken, zullen die aanwezige keurmerken moeten worden vernietigd. Voor zaken waarop een vals handelsmerk is aangebracht (kleding en dergelijke) is artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Ingeval dit soort zaken wordt aangetroffen neemt de invorderingsambtenaar contact op met de FIOD-ECD. Illegale zaken 20 Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14, § 1, lid 13, hiervoor. De executoriale verkoop 21 De verkoop wordt gehouden op een door de belastingdeurwaarder in overleg met de invorderingsambtenaar vast te stellen plaats. Hij draagt er zorg voor dat de beslagen zaken zo nodig naar de plaats van verkoop worden gebracht. Als bij omvangrijke executies ter verkrijging van een zo hoog mogelijke opbrengst deskundige hulp gewenst is, kan de invorderingsambtenaar een makelaar of een andere terzake deskundige derde inschakelen. Mocht een reeds op de voet van artikel 464 - en eventueel 466 - Rv aangekondigde verkoop om enigerlei reden geen doorgang vinden, dan draagt de invorderingsambtenaar er zorg voor dat de aanplakbiljetten onmiddellijk worden verwijderd en treft hij voorts met betrekking tot op andere wijze gedane aankondigingen voorzoveel nodig dienovereenkomstige maatregelen. Is de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte dan wordt hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan. Als verwacht moet worden dat deze mededeling de belastingschuldige niet meer voor het aangekondigde tijdstip van verkoop zal bereiken, stelt de invorderingsambtenaar hem op andere wijze in kennis. 22 vervallen 23 vervallen Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop 24 Als de invorderingsambtenaar de mogelijkheid heeft om te kiezen tussen een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld in artikel 14, § 1, lid 11, van deze Leidraad en een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14, § 1, lid 12, van deze Leidraad geeft hij, tenzij hij het bedrag wenst te handhaven, in ieder geval de voorkeur aan opheffing van het beslag indien de hierdoor verkregen opbrengst niet minder is dan die van de onderhandse verkoop. Bieden voor rekening van de gemeente 25 Teneinde een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de invorderingsambtenaar een andere dan de met de verkoop belaste belastingdeurwaarder of een collega-gemeenteambtenaar opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. De invorderingsambtenaar geeft deze ambtenaar zo nodig nader aanwijzingen. Einde van het beslag 26 Als de belastingschuldige hierom uitdrukkelijk verzoekt of wanneer de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt. Deze werkwijze wordt altijd gehanteerd als het betreft een beslag op roerende zaken waarbij artikel 445 Rv toepassing heeft gevonden. Als er over de beslagen zaken een bewaarder is aangesteld die geen ambtenaar van de gemeente is wordt hij van het einde van het beslag schriftelijk op de hoogte gesteld. Gegevensverstrekking 27 Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de invorderingsambtenaar vraagt of een beslag nog ligt, verstrekt de invorderingsambtenaar deze informatie, tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet. Opbrengst verkoop 28 De belastingdeurwaarder is verantwoordelijk voor de executie-opbrengst. Na afloop van de verkoop stort hij de opbrengst op een bank- of girorekening. De administratieve afwikkeling van de executie-opbrengst geschiedt namens de belastingdeurwaarder ten kantore van de gemeente. Van de opbrengst worden ingevolge het bepaalde in artikel 474 Rv eerst de kosten die als gevolg van de verkoop voor rekening van de belastingschuldige komen afgeboekt. Als er andere schuldeisers zijn die beslag hadden gelegd dan wel er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, wordt zo veel mogelijk geacht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executie-opbrengst. Blijkt dit niet mogelijk dan zijn de artikelen 481 e.v. Rv van toepassing. Zijn er geen andere schuldeisers en/of beperkt gerechtigden als hiervoor bedoeld dan wordt de executie-opbrengst afgeboekt met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7, § 1, vierde lid van de leidraad. Proces-verbaal van verkoop 29 Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk toegezonden met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt. § 3 Beslag op onroerende zaken Doelstelling beslaglegging 1 n.v.t.
Opnieuw bevel tot betaling 2 Als na het bevel tot betaling bij de betekening van het dwangbevel of bij enig nadien betekend exploot een jaar of meer is verstreken, wordt vooraf bij exploot opnieuw bevel tot betaling gedaan. Betekening beslag 3 Als het beslag is gelegd in een andere gemeente dan waar de belastingschuldige woont en dus om praktische redenen doorgaans door een andere dan de beslagleggende belastingdeurwaarder zal moeten worden betekend, kan de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd per telefax een kopie van het proces-verbaal van beslag sturen aan de belastingdeurwaarder die voor de betekening zorg draagt. Betekening aan de belastingschuldige dient te geschieden binnen drie dagen na de inschrijving van het proces-verbaal van beslag in de openbare registers. De belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd kan ook zelf met toestemming van de invorderingsambtenaar elders het beslag aan de belastingschuldige betekenen. Aanwijzing notaris 4 De notaris ten overstaan van wie de verkoop zal plaatsvinden wordt in beginsel niet reeds in het proces-verbaal van beslag aangewezen, maar later bij exploot. Als het in het voornemen ligt zo snel mogelijk na de beslaglegging tot verkoop van de onroerende zaak over te gaan, wordt wel reeds in het proces-verbaal de notaris aangewezen. In dat geval wordt in plaats van bij de belastingdeurwaarder domicilie gekozen bij de notaris. Met de notaris wordt in deze gevallen vooraf over de domiciliekeuze overleg gepleegd. Bewaarder 5 Aanstelling van een gerechtelijke bewaarder is op grond van artikel 506 Rv niet verplicht. Door het beslag is de belastingschuldige namelijk verplicht de in beslag genomen zaken in goede staat te houden. Als gelijktijdig met het beslag op de onroerende zaak, beslag wordt gelegd op - in of op de onroerende zaak aanwezige - roerende zaken, kan de belastingdeurwaarder deze zaken afvoeren om in bewaring te geven als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijs noodzakelijk is. De belastingdeurwaarder heeft hiervoor toestemming nodig van de invorderingsambtenaar. Zie § 2, tiende lid, hiervoor. Nieuwe belastingschuld 6 De invorderingsambtenaar gaat, indien hij voor belastingschuld beslag op een onroerende zaak heeft gelegd, voor nader opgekomen belastingschuld zo veel mogelijk wederom tot beslaglegging over. De invorderingsambtenaar gaat altijd zijnerzijds tot beslaglegging over - in gevallen waarin hij zelf de eerste beslaglegger is - voor vorderingen van derden waarvan de invordering aan hem is opgedragen. Aanwezige zaken 7 Als verhaal wordt beoogd op in een onroerende zaak van de belastingschuldige aanwezige zaken, ten aanzien waarvan twijfel bestaat of deze roerend of onroerend zijn, worden die zaken zowel in een beslag op een onroerende zaak als in een beslag op roerende zaken begrepen. Er wordt dus op deze zaken zowel een beslag op grond van artikel 439 e.v. Rv als een beslag op grond van artikel 502 e.v. Rv gelegd. Verhuurde of verpachte onroerende zaken 8 De invorderingsambtenaar die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens de huur of pacht wil incasseren doet hiervoor zo veel mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er wordt in die gevallen dus niet gehandeld op de wijze als bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv. Met betrekking tot de vorderingen als bedoeld in artikel 507, vierde lid, Rv en artikel 507a Rv kan geen vordering ex artikel 19 van de wet worden gedaan. In die gevallen wordt gehandeld als in genoemde artikelen is aangegeven. Voorwaarden van verkoop 9 De invorderingsambtenaar vraagt de notaris een afschrift van de op de verkoop van toepassing zijnde veilingvoorwaarden en treedt zo nodig in overleg omtrent de inhoud van deze voorwaarden. In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de kosten van executie, van toewijzing en van de eventuele rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort, als de koopprijs niet toereikend mocht zijn, door de executant zal worden aangezuiverd. Opheffing van het beslag 10 Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige en, als het beslag aan hem is betekend, aan de huurder of pachter. Voorts wordt van de opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en, indien van toepassing, aan de bewaarder. § 4 Beslag onder derden Algemeen 1 In de artikelen 475 e.v. Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Blijkt na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring dat de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De invorderingsambtenaar stelt de derde hiervan op de hoogte. Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldigde toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. Als voorbeeld valt te denken aan de echtgenoot met wie de belastingplichtige in gemeenschap van goederen is gehuwd. In dat geval wordt het derdenbeslag gelegd ten laste van de echtgenoot van de belastingschuldige, wanneer de echtgenoot alleen gerechtigd is de vermogensbestanddelen te vorderen die onder het beslag vallen. In het beslagexploit, waarvan afschrift wordt gelaten aan de derdebeslagene en dat zowel aan de belastingschuldige als aan de echtgenoot binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, dient de invorderingsambtenaar zoveel mogelijk aan te geven op welke gronden hij de ten name van de echtgenoot geadministreerde vordering meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 2 Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de invorderingsambtenaar voor het doen van de vordering. Roerende zaken 3 Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in § 2, negende lid, hiervoor. Beslaglegging 4 Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. Als de mogelijkheid bestaat het beslag te leggen zowel ter plaatse van het hoofdkantoor van de derde als ter plaatse van een filiaal of bijkantoor, wordt het beslag zo veel mogelijk gelegd bij het hoofdkantoor of het filiaal of bijkantoor dat met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht bemoeienis heeft. In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder het filiaal of bijkantoor. Er wordt in alle gevallen volstaan met domicilie kiezen bij de belastingdeurwaarder. Omvang van het beslag 5 Het beslag wordt gelegd op alle vorderingen die de belastingschuldige op de derde heeft of uit een op de datum van beslaglegging al bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen en op de aan de belastingschuldige toebehorende roerende zaken die onder de derde berusten en die geen registergoederen zijn. In het beslagexploot worden in daartoe aanleiding gevende gevallen vermeld de bekende vorderingen en/of zaken. In het beslagexploot worden specifiek vermeld:
vorderingen bedoeld in artikel 475a, derde lid, Rv;
vorderingen of zaken die worden beslagen bij beslag onder de Staat.
In daartoe aanleiding gevende gevallen kan de invorderingsambtenaar de omvang van het beslag bij de beslaglegging beperken. Voorzover niet door een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt. Periodieke betalingen 6 Als beslag is gelegd op periodieke betalingen als bedoeld in artikel 475c Rv is het beslag slechts geldig voorzover de periodieke betalingen de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv overtreffen. De voor de bepaling van de beslagvrije voet relevante bedragen, de normen in het kader van de studiefinanciering en de normen in het kader van de huurtoeslag zijn vermeld in de bijlagen 1a tot en met 1c. Het gestelde in artikel 19, § 3, derde en vierde lid, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing. Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e, dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen dan past de invorderingsambtenaar zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv toe. Buitengerechtelijke verklaring 7 Bij de beslaglegging wordt aan de derde-beslagene een bij het Besluit Verklaring derdenbeslag vastgesteld formulier in tweevoud gelaten. Op dit formulier moet de derde-beslagene verklaren of en zo ja welke vorderingen en/of zaken hij van de belastingschuldige onder zich heeft. De derde-beslagene dient, zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, in alle gevallen een exemplaar van het door hem ingevulde, gedagtekende en ondertekende formulier aan de belastingdeurwaarder te verstrekken. Omdat de afwikkeling van het derdenbeslag namens de belastingdeurwaarder zal plaatsvinden door de invorderingsambtenaar die de opdracht tot het leggen daarvan heeft gegeven, wordt aan de derde-beslagene bij de uitreiking van het formulier een antwoordenvelop verstrekt met het adres van desbetreffende invorderingsambtenaar. Wordt de verklaring door de derde-beslagene overhandigd of ingeleverd bij de belastingdeurwaarder, dan zendt deze de verklaring zo snel mogelijk naar de opdrachtgever. Op grond van voornoemd besluit kan ook genoegen worden genomen met een ander door de derde-beslagene ingevuld geschrift, mits de daarop vermelde verklaring inhoudelijk aansluit bij het uitgereikte formulier. Binnen drie dagen na ontvangst van de verklaring zendt de invorderingsambtenaar namens de belastingdeurwaarder een afschrift ervan aan de belastingschuldige. Afdracht na het doen van de buitengerechtelijke verklaring 8 De door de derde-beslagene aan de belastingdeurwaarder in de verklaring genoemde verschuldigde opeisbare geldsommen, verschuldigde goederen en/of af te geven zaken dienen na die verklaring aan de gemeente te worden afgedragen. Daartoe wordt de derde-beslagene namens de belastingdeurwaarder door de invorderingsambtenaar schriftelijk uitgenodigd. Voorzover de vordering of de verplichting tot afgifte van een door het beslag getroffen zaak er een is onder tijdsbepaling of voorwaarde, kan de belastingdeurwaarder slechts betaling of afgifte eisen na het verschijnen van het aangewezen tijdstip of de vervulling van de voorwaarde. Het in gebreke blijven tot het doen van verklaring 9 De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de invorderingsambtenaar in gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de termijn van vier weken nog geen verklaring van hem is ontvangen. Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over te gaan. Als de derde-beslagene ondanks de sommatie niet overgaat tot het doen van verklaring zendt de invorderingsambtenaar de beslagstukken toe aan een procureur. Niet afdragen na het doen van verklaring 10 De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de invorderingsambtenaar in gebreke gesteld als hij niet is overgegaan tot afdracht van de opeisbare geldsommen of tot het aan de belastingdeurwaarder ter beschikking stellen van de goederen en/of zaken binnen de termijn genoemd in de schriftelijke uitnodiging als bedoeld in het achtste lid. Daarbij wordt hij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan zijn verplichting te voldoen. Als de derde-beslagene geen gehoor geeft aan de ingebrekestelling zendt de invorderingsambtenaar de beslagstukken toe aan een procureur. Betwisting van de afgelegde verklaring 11 Als de invorderingsambtenaar op grond van hem al dan niet via een invorderingsonderzoek bekend zijnde gegevens van mening is dat de door de derde-beslagene afgelegde buitengerechtelijke verklaring niet juist is, dan kan hij deze verklaring geheel of gedeeltelijk betwisten, Hij kan ook aanvulling eisen en eventueel onderliggende bewijsstukken vragen. Heeft de invorderingsambtenaar hierna nog niet de overtuiging dat de afgelegde verklaring juist is dan zendt hij de beslagstukken toe aan een procureur. Die inzending dient zo tijdig te geschieden dat de procureur de derde-beslagene binnen twee maanden na het doen van de verklaring kan dagvaarden. Vroegtijdige verklaring 12 Bij de beslaglegging dringt de belastingdeurwaarder niet aan op het doen van verklaring binnen de 4-wekentermijn. Als de derde-beslagene echter binnen deze termijn verklaring doet van hetgeen hij onder zich heeft en hij de belastingdeurwaarder laat weten direct tot afdracht te willen overgaan deelt de invorderingsambtenaar, indien er althans geen aanleiding bestaat de verklaring te betwisten, hem namens de belastingdeurwaarder mede dat het beslag van rechtswege vervalt op het moment dat de door derdebeslagene af te dragen geldsommen of ter beschikking te stellen goederen en/of zaken door de belastingdeurwaarder zijn ontvangen. Opzeggen van vorderingen 13 Door het leggen van een derdenbeslag ondergaat de opeisbaarheid van de onder het beslag vallende vorderingen geen wijziging. De beslaglegger, i.c. de invorderingsambtenaar, heeft echter de bevoegdheid niet opeisbare vorderingen, die door opzegging opeisbaar gemaakt kunnen worden, op te zeggen. De invorderingsambtenaar dient bij het terughoudend gebruik van deze bevoegdheid de belangen van de belastingschuldige niet uit het oog te verliezen. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente 13A Derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente en de daar op volgende afkoop of belening van die polis kan voor de belastingschuldige verstrekkende financiële gevolgen hebben. Voor het leggen van derdenbeslag onder een verzekeringsmaatschappij op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente is daarom vooralsnog toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. Bij de beslissing of tot het aanvragen om toestemming voor het leggen van derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente moet worden overgegaan, weegt de invorderingsambtenaar alle betrokken belangen zorgvuldig af en gaat na of de belastingschuldige niet onredelijk wordt benadeeld. Ook wordt in de overwegingen betrokken of sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening. Tevens besteedt de invorderingsambtenaar aandacht aan de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst moet tevens rekening worden gehouden met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling (zie ook art. 44a, § 1, tweede lid, van deze leidraad) die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd. Indien de netto-opbrengst van de polis minder dan euro 2.500 bedraagt of de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wordt niet tot uitwinning van het derdenbeslag, afkoop of belening overgegaan, maar laat de invorderingsambtenaar, in overleg met belastingschuldige, het beslag liggen tot de expiratiedatum. Voorts is van belang dat de omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, op zichzelf niet aan derdenbeslag in de weg hoeft te staan. De belastingaanslagen waarvoor de toestemming wordt gevraagd moeten onherroepelijk vaststaan en ze moeten in redelijkheid materieel verschuldigd kunnen worden geacht. Na de verleende toestemming handelt de invorderingsambtenaar bij het leggen van het derdenbeslag overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 479l tot en met 479q Rv. Retentierecht 14 Als de derde-beslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het derdenbeslag van de invorderingsambtenaar zijn getroffen, kan de invorderingsambtenaar op grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de belastingschuldige. Genoemd bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de desbetreffende zaak. Opheffing van het beslag 15 Opheffing van het derdenbeslag geschiedt, als derde-beslagene of de belastingschuldige daarom uitdrukkelijk verzoekt of indien de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht, bij deurwaardersexploot. Het exploot zal in dat geval zowel aan de belastingschuldige als aan de derde-beslagene worden gedaan. In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennisgegeven aan de derdebeslagene. Aan de belastingschuldige wordt dan een afschrift van deze kennisgeving gezonden. Onverschuldigde betaling 16 Wanneer de derde tegen de invorderingsambtenaar een vordering uit onverschuldigde betaling instelt, worden dergelijke vorderingen ter behandeling doorgezonden aan het college van burgemeester en wethouders. Aan de afwikkeling van een dergelijke vordering wordt zo veel mogelijk medewerking verleend, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat niet méér op het derdenbeslag is betaald dan de derde uiteindelijk aan de belastingschuldige verschuldigd is. Als aan de vordering uit onverschuldigde betaling van de derde wordt voldaan, wordt de belastingaanslag ter zake waarvan het derdenbeslag was gelegd geacht in zoverre niet te zijn voldaan. De invorderingsambtenaar kan de invordering van die aanslag dan ook hervatten alsof er geen derdenbeslag was gelegd. Derdenbeslag onder de Staat dan wel de invorderingsambtenaar en het doen van verklaring 17 Indien derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat of de invorderingsambtenaar is specificatie verplicht. Verwezen wordt in dit verband naar artikel 479 Rv. De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal te belemmeren, maar de taak van de Staat dan wel de invorderingsambtenaar te verlichten. Dit betekent dat de verklaring in het kader van het derdenbeslag zich niet dient te beperken tot de ex artikel 479 Rv genoemde vermogensbestanddelen, maar dat de verklaring zich ook dient uit te strekken tot alles wat de geëxecuteerde te vorderen heeft van de Staat of de invorderingsambtenaar en bij de Staat of de invorderingsambtenaar bekend was op het moment van beslaglegging. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf vanwege Rijksbelastingen 18 Indien derdenbeslag wordt gelegd onder de invorderingsambtenaar van de Rijksbelastingdienst op een voorlopige teruggaaf wordt rekening gehouden met de regeling van de beslagvrije voet. Dat geldt ook als het termijnbedrag niet groter is dan _ 23 per maand. In het laatste geval wordt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9, § 1, lid 2a, van deze leidraad het bedrag dat ingevolge het gelegd beslag moet worden voldaan, berekend uitgaande van het termijnbedrag. § 5 Beslag op schepen 2 Algemeen 1 Beslag op en uitwinning van schepen geschiedt overeenkomstig de bepalingen van boek II, titel 4 Rv. Deze titel geldt voor alle schepen. Onder schepen moeten worden verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig of luchtkussenvaartuig zijnde, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven of hebben gedreven, daaronder begrepen de schepen in aanbouw. De bestemming van deze zaken hoeft niet primair het varen te zijn. Het ontmoet geen bezwaar om schepen van eenvoudige aard, zoals roeiboten, surfplanken e.d.. in beslag te nemen en te verkopen op de wijze als in de eerste afdeling van titel II van Boek 2 Rv is bepaald voor roerende zaken die geen registergoederen zijn. Bevel tot betaling 2 Het beslag op een schip moet ingevolge artikel 563 Rv worden voorafgegaan door een bevel aan de eigenaar van het schip of aan de boekhouder van de rederij waartoe het schip behoort om binnen 24 uur te betalen. Het beslag kan niet eerder worden gelegd dan nadat ten minste 24 uur sedert het bevel zijn verstreken. Zo nodig kan tegelijk met het bevel tot betaling het dwangbevel worden betekend. Is bij het bevel een langere betalingstermijn gegeven, dan dient eerst deze termijn te worden afgewacht voordat tot beslaglegging kan worden overgegaan. Ook op het beslag op een schip zijn de artikelen 10 en 15 van de wet volledig van toepassing. Zo kan als er gegronde vrees bestaat dat het schip spoedig zal vertrekken na gedaan bevel tot betaling binnen de termijn van het bevel tot betaling tot beslaglegging worden overgegaan. Het verlof van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 563, tweede lid, Rv is hiertoe niet nodig. Beslag aan boord 3 De belastingdeurwaarder zal zich voor de beslaglegging aan boord van het schip moeten begeven. Hij kan zich daarbij doen bij staan door één of twee getuigen. Bij weigering of verhindering is artikel 444 Rv van toepassing. Als (delen van) het schip als woning is aan te merken, moet het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen. Zie § 1, inleidende opmerkingen, lid 14 van deze leidraad. Domiciliekeuze 4 De domiciliekeuze is afhankelijk van de wijze waarop de verkoop zal plaatsvinden. Het is dus van belang al van te voren te bezien op welke wijze zal worden geëxecuteerd. Beletten van het vertrek 5 De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de nodige maatregelen nemen om het vertrek van het schip te beletten. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het 'aan de ketting leggen' van het schip. Zo nodig voorziet de belastingdeurwaarder zich, na daartoe overleg te hebben gepleegd met de invorderingsambtenaar, van deskundige bijstand. De kosten van deze bijstand komen voor rekening van de invorderingsambtenaar. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik van het schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten bijvoorbeeld wanneer ter voorkoming van een executoriale verkoop door de belastingschuldige een voorstel tot minnelijke afdoening is gedaan en dit voorstel voor de invorderingsambtenaar, gelet op het geheel der omstandigheden, aanvaardbaar is. In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het bij artikel 25 geformuleerde uitstelbeleid. Aanwezige zaken 6 Als verhaal wordt beoogd op in of op een schip van de belastingschuldige aanwezige zaken, ten aanzien waarvan twijfel bestaat of deze bestanddeel zijn van het schip dan wel zelfstandige roerende zaken zijn, worden die zaken zowel in een beslag op het schip als in een beslag op roerende zaken begrepen. Daarna wordt bepaald op welke wijze de zaken worden uitgewonnen. Wanneer het beslag op roerende zaken in verband hiermee naderhand niet wordt voortgezet, zijn de kosten niet verschuldigd. De executie van schepen 7 Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven geschiedt de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een bevoegde notaris. De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten overstaan van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik dienen te worden gemaakt als het land van herkomst de verkoop door een notaris niet erkent. De executie van niet-teboekgestelde schepen geschiedt als die van andere roerende zaken niet-register goederen. Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen kan de invorderingsambtenaar een ander dan de met de verkoop belaste belastingdeurwaarder opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. De invorderingsambtenaar geeft deze ambtenaar zo nodig nadere aanwijzingen. Afgelasting van de verkoop 8 Mocht een aangekondigde verkoop van een schip om enigerlei reden geen doorgang vinden, dan draagt de invorderingsambtenaar er zorg voor dat de aanplakbiljetten onmiddellijk worden verwijderd en treft hij voorts met betrekking tot op andere wijze gedane aankondigingen voor zo veel nodig dienovereenkomstige maatregelen. Is de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte dan wordt hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan. Als verwacht moet worden dat deze mededeling de belastingschuldige niet meer voor het aangekondigde tijdstip van verkoop zal bereiken, stelt de invorderingsambtenaar hem zo mogelijk op andere wijze in kennis. Deskundige hulp 9 Als bij een executie deskundige hulp gewenst is kan de invorderingsambtenaar een makelaar of een andere ter zake deskundige inschakelen. Onttrekking 10 Ingeval zaken aan het beslag zijn onttrokken - hetgeen strafbaar is ingevolge artikel 198 Sr - kan van het feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De invorderingsambtenaar beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de Officier van Justitie. Opheffing van het beslag 11 Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Voorts wordt, ingeval van teboekgestelde schepen, van de opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de ingeschreven schuldeisers. Artikel 15Naar de inhoud
Met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid en in de gevallen bedoeld in artikel 10 kan:
een dwangbevel zonder voorafgaande aanmaning worden uitgevaardigd, of indien reeds een aanmaning is verzonden, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond worden uitgevaardigd;
een dwangbevel terstond na het bevel tot betaling ten uitvoer worden gelegd, of indien zodanig bevel reeds is gedaan, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd.
een dwangbevel indien het bevel tot betaling reeds is gedaan, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer wordt gelegd;
een dwangbevel indien het hernieuwd bevel tot betaling, bedoeld in artikel 14, tweede lid, reeds is gedaan, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd.
Met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid, kan, ingeval een dwangbevel terstond na het opleggen van die belastingaanslag wordt uitgevaardigd, de betekening en de tenuitvoerlegging van dat dwangbevel, in afwijking van artikel 64, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geschieden op alle dagen en uren.
§ 1 Versnelde invordering Algemeen 1 Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel, althans voorzover het betreft de situaties als omschreven in artikel 10 van de wet, wordt verwezen naar hetgeen in deze leidraad is vermeld bij artikel 10. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat als de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef of onderdeel a of b, van de wet betekening van een dwangbevel door terpostbezorging niet mogelijk is. Artikel 16 Naar de inhoud Indien een dwangbevel dat is uitgevaardigd voor een gedeelte van een belastingaanslag ten uitvoer wordt gelegd door beslaglegging, kunnen bij datzelfde dwangbevel alle tot het tijdstip van beslaglegging vervallen termijnen van de belastingaanslag worden ingevorderd, mits het op dat tijdstip invorderbare bedrag uit het dwangbevel is op te maken. § 1 Invordering van vervallen termijnen Tenuitvoerlegging door beslag 1 De in dit artikel opgenomen bepaling strekt ertoe dat, als op grond van een dwangbevel dat is uitgevaardigd voor een termijnbedrag (termijndwangbevel) beslag wordt gelegd, op grond van datzelfde dwangbevel alle tot het tijdstip van beslaglegging vervallen termijnen van de belastingaanslag in dat beslag kunnen worden betrokken. Het op het moment van beslaglegging invorderbare bedrag moet dan wel uit het dwangbevel kunnen worden opgemaakt. De onderhavige bepaling geldt alleen voor de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door beslag. Dit artikel is eveneens niet van toepassing bij het doen van een vordering ingevolge artikel 19 van de wet, omdat dit geen wijze van tenuitvoerlegging van het dwangbevel is. De op een belastingaanslag resterende termijnen die nog niet zijn vervallen, kunnen op het tijdstip van tenuitvoerlegging door beslag niet in dat beslag worden betrokken, tenzij zich voor dat tijdstip een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c, of d, van de wet heeft voorgedaan. Voor deze termijnen wordt dan opnieuw een dwangbevel uitgevaardigd, betekend en tenuitvoergelegd. Wanneer een belastingschuldige de tenuitvoerlegging van een termijndwangbevel wil voorkomen, hoeft hij slechts het bedrag te betalen waarvoor het dwangbevel is betekend (vermeerderd met de daarop belopen rente en kosten). Termijndwangbevel 2 Een éénmaal ingestelde vervolging voor een of meer van de vervallen termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als ten aanzien van de eindvervolging. Artikel 17 Naar de inhoud
De belastingschuldige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd. Indien de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of vestiging heeft, kan hij in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is gevestigd van de invorderingsambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.
Het verzet vangt aan met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser aan de invorderingsambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voorzover deze door het verzet wordt bestreden.
Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet,de aanmaning of het op de voet van artikel 13, derde lid, betekende dwangbevel niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
§ 1 Verzet Algemeen 1 Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor het instellen van verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel door degene tegen wie de dwanginvordering is gericht. Verzet is mogelijk zodra de betekening van het dwangbevel heeft plaatsgevonden. Ook kan verzet worden gedaan tegen een vordering. In daartoe aanleiding gevende gevallen bevordert de invorderingsambtenaar zo veel mogelijk dat geschillen die tot verzet kunnen leiden in der minne tot een oplossing worden gebracht. Geen verzet kan worden gedaan tegen de in rekening gebrachte kosten van de aanmaning en betekeningskosten van het dwangbevel. Tegen deze kosten staat op grond van artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen bezwaar, beroep en hoger beroep open. Schorsing van de invordering 2 Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voorzover deze door het verzet wordt bestreden. Dit brengt met zich mee dat, wanneer het verzet zich richt tegen een bepaalde wijze van tenuitvoerlegging of tegen de beslaglegging op bepaalde goederen deze wijze van tenuitvoerlegging dan wel het beslag voor die bepaalde goederen niet wordt voortgezet totdat daarover in de verzetprocedure is beslist. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel op andere wijze dan wel voortzetting van het beslag op andere goederen kan ongehinderd doorgang vinden. Richt het verzet zich tegen de rechtsgeldigheid van het dwangbevel dan wordt iedere vorm van tenuitvoerlegging van dat dwangbevel geschorst omdat bij toewijzing van dat verzet tevens de rechtsongeldigheid van iedere vorm van tenuitvoerlegging vaststaat. Als het verzet zich richt tegen de tenuitvoerlegging voor een deel van het bedrag waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd (bijvoorbeeld alleen de bestuurlijke boete), wordt de tenuitvoerlegging voor het resterende bedrag niet geschorst. Is sprake van beslag onder een derde en de derde heeft een buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de invorderingsambtenaar onjuist of onvolledig acht, dan deelt de invorderingsambtenaar de schorsing van de executie schriftelijk aan de derde mee onder vermelding van de grond waarop deze schorsing berust en vermeldt daarbij tevens, onder verwijzing naar artikel 476 Rv, dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Tevens wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, zodra de schorsende werking van het verzet is opgeheven. Als het verzet wordt gedaan op de dag van de openbare verkoop, wordt overleg gepleegd met het college van burgemeester en wethouders over het al dan niet doorzetten van de executoriale verkoop. Twijfel over materiële verschuldigdheid 3 Artikel 17 van de wet vermeldt geen gronden voor verzet. Als voorbeelden van deze gronden worden hier genoemd: de belastingschuld is voldaan, verminderd of kwijtgescholden; het recht op dwanginvordering is verjaard of het dwangbevel is tegen de verkeerde persoon uitgevaardigd. Hoewel artikel 17, derde lid, van de wet als grond voor verzet onder meer uitsluit de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, is niettemin in de rechtspraak aangenomen dat verzet bij de burgerlijke rechter mogelijk is tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd ter zake van een belastingaanslag waarvan de materiële verschuldigdheid zo twijfelachtig is dat de invorderingsambtenaar in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Overigens mag van de belastingschuldige, die zich tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel verzet wegens vermeende materiële onverschuldigdheid van de belastingaanslag, worden verwacht dat hij de fiscale rechter verzoekt in dat kader een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 Awb. Beslist de fiscale rechter tot schorsing van een belastingaanslag of stelt hij deze anderszins voorlopig buiten werking, dan zal de invorderingsambtenaar tenuitvoerlegging van het ter zake van die aanslag uitgevaardigde dwangbevel in beginsel staken, zolang die schorsing en/of buitenwerkingstelling duurt. Verzet door aansprakelijkgestelde 4 Op grond van artikel 52, tweede lid van de wet, kan ook een aansprakelijkgestelde op grond van artikel 17 van de wet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen. Verwezen wordt naar hetgeen daaromtrent in deze leidraad bij artikel 52 is vermeld. Verzet artikel 438 Rv 5 Naast de mogelijkheid van verzet ex artikel 17 van de wet kan de belastingschuldige met inachtneming van het derde lid van dat artikel, zich tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel verzetten op grond van artikel 438 Rv. Wanneer de invordering niet door middel van een dwangbevel maar langs civielrechtelijke weg geschiedt, moet de belastingschuldige zijn verzet altijd op artikel 438 Rv baseren. Een dergelijk verzet heeft geen schorsende werking, met uitzondering van specifiek in de wet geregelde situaties (zie bijvoorbeeld artikel 476, tweede lid, Rv). Ook kan de voorzieningenrechter bevelen dat de executie wordt geschorst. Verzet door derden 6 Derden - anderen dan de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde - kunnen uitsluitend verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel doen op grond van andere wettelijke bepalingen dan het artikel 17 van de wet. In de gevallen waarin beslag op roerende zaken is gelegd, kunnen derden verzet doen op de voet van artikel 435, derde lid, of artikel 456 jo. artikel 438 Rv, dan wel een beroepschrift indienen op de voet van artikel 22 van de wet. Betreft het een beslag op onroerende zaken, dan dient verzet te worden gedaan op de voet van artikel 435, derde lid, of de artikelen 538 t/m 540 jo. artikel 438 Rv. Geen verzet mogelijk 7 Het verzet is onder meer niet mogelijk voorzover het gegrond is op de stelling dat het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post betekende dwangbevel niet is ontvangen. Dit is alleen anders indien achteraf zou blijken dat het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en daarom de belastingschuldige niet heeft bereikt. Artikel 18 (vervallen) Artikel 19 Naar de inhoud
Een derde die:
loon;
uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook;
pensioen en lijfrente;
uitkeringen uit levens-, invaliditeits-, ongevallen of ziekengeldverzekering;
uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud;
uitkeringen of buitengewone pensioenen op grond van een wettelijke regeling voor oorlogsgetroffenen of voor degenen die hun dienstplicht of vervangende dienstplicht vervullen;
bedragen toegekend krachtens artikel 8, derde lid van het koninklijke besluit van 17 juli 1944. Stb.e 51, betreffende de arbeidsbemiddeling en de scholing, herscholing en omscholing; verschuldigd is aan een belastingschuldige, is op vordering van de invorderingsambtenaar verplicht de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag.
Een huurder, een pachter, een curator in een faillissement en een houder van penningen is op vordering van de invorderingsambtenaar verplicht uit de gelden die hij aan de belastingschuldige verschuldigd is of uit de gelden of de penningen die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. Een curator in een faillissement van de belastingschuldige is voorts bevoegd uit eigen beweging uit de gelden die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen.
De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een vordering dient de invorderingsambtenaar te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling.. Indien de vordering op de voet van het eerste lid, onderdeel a, wordt gedaan (loonvordering) en het dwangbevel op de voet van artikel 13, derde lid, is betekend, moet de vordering vooraf worden gegaan door een schriftelijke aankondiging van de invorderingsambtenaar aan de belastingschuldige, inhoudende dat hij voornemens is een loonvordering te doen. De loonvordering wordt in dat geval niet eerder gedaan dan zeven dagen na dagtekening van de vooraankondiging. De in het derde lid bedoelde aankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens degene die reeds op vordering van de invorderingsambtenaar een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. De beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan De invorderingsambtenaar maakt de beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. Indien de vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement vindt de tweede volzin geen toepassing en blijft bekendmaking van de beschikking aan de belastingschuldige achterwege.
De belastingschuldige kan op de voet van artikel 17 in verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen afwachten. De eerste volzin vindt geen toepassing in zoverre onder hem beslag is gelegd of verzet is gedaan ter zake van schulden waaraan voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.
De invorderingsambtenaar vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan verhalen op de belastingschuldige.
Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op belastingaanslagen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen werkt.
§ 1 Algemeen De vordering 1 De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de invorderingsambtenaar de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich heeft of zal krijgen. Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur gegeven boven derdenbeslag. Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht wel houder van penningen is, moet naargelang de omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag al dan niet de voorkeur verdient. Een vordering kan slechts worden gedaan voor de door de invorderingsambtenaar in te vorderen bedragen waarvoor artikel 19 van toepassing is. Voor belastingaanslagen die niet onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen, blijft de mogelijkheid voor de invorderingsambtenaar om ten laste van de belastingschuldige een vordering onder derden te doen echter wel bestaan. Betekend dwangbevel 2 Voor het doen van een vordering dient de invorderingsambtenaar, met uitzondering van faillissementssituaties, te beschikken over een betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Bij het bevel tot betaling wordt de belastingschuldige een termijn van twee dagen gegeven. De vordering wordt pas na afloop van deze termijn gedaan. Ingeval van versnelde invordering op grond van artikel 15 van de wet wordt veelal bevel tot onmiddellijke betaling gedaan. In dat geval behoeft voor het doen van een vordering uiteraard geen termijn van twee dagen in acht te worden genomen. Vooraankondiging 3 In het geval het dwangbevel per post is betekend en de invordering wordt vervolgd door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet), dan wel een andere vordering wordt gedaan op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is de invorderingsambtenaar verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen. De vooraankondiging wordt niet eerder gedaan dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post is bezorgd door de invorderingsambtenaar. De betreffende loonvordering wordt niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de invorderingsambtenaar een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. Vorm 4 Een vordering geschiedt bij beschikking die wordt bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige door toezending of, als de invorderingsambtenaar dat wenselijk acht, door betekening. Bij de betekening van een vordering wordt gehandeld overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de betekening worden geen kosten in rekening gebracht. Als de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is gehuwd, wordt de vordering tevens ten name van de echtgenoot van de belastingschuldige gesteld, wanneer de echtgenoot alleen gerechtigd is de gelden, penningen of periodieke betalingen te vorderen, tenzij op voorhand duidelijk is dat de gelden, penningen of periodieke betalingen niet in de tussen beiden bestaande huwelijksgemeenschap vallen. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden aan de belasting- schuldige en de echtgenoot afzonderlijk. Vervolgingskosten en rente 5 De vordering heeft ook betrekking op verschuldigde vervolgingskosten en rente. Onder rente wordt tevens verstaan de rente die wordt belopen na de dag waarop de vordering is gedaan. Voldoen aan de vordering 6 Wanneer de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of meer belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter voldoening van welke belastingaanslag de betaling strekt. Bij een betaling door de derde hoeft ook de belastingschuldige niet naar een bestemming te worden gevraagd. Er is immers geen sprake van betaling door hemzelf. Uiteraard kan de betaling alleen worden afgeboekt op de belastingaanslagen waarvoor de vordering is gedaan. Niet voldoen aan de vordering 7 Bij het niet voldoen aan een vordering wordt niet voetstoots overgegaan tot het leggen van derdenbeslag. In de eerste plaats wordt nagegaan of de zaak van voldoende belang is om aldus te worden voortgezet. Voorts wordt het derdenbeslag slechts gelegd als aan de vordering ten onrechte niet is voldaan, dan wel de derde hierop niet heeft gereageerd. Daarvan is zeker sprake als blijkt, dat het uitblijven van het voldoen aan de vordering te wijten is aan de derde. Als de invorderingsambtenaar in verband met de kosten of om andere redenen derdenbeslag niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de vordering ingetrokken. Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag, wordt in het beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is voorafgegaan, alsmede de datum waarop die vordering is gedaan. Intrekken van een vordering 8 Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden gehandhaafd, wordt zij bij beschikking ingetrokken. Deze beschikking wordt aan degene jegens wie de vordering is gedaan, bekendgemaakt. Verzet 9 In het geval de belastingschuldige op grond van artikel 19, vierde lid van de wet, in verzet komt tegen de vordering vindt het bepaalde van artikel 17, § 1, tweede lid van deze leidraad, zo veel mogelijk overeenkomstige toepassing. Verzet breng niet met zich mee dat de derde jegens wie de vordering is gedaan aan de belastingschuldige mag betalen. Onverschuldigde betaling 10 Wanneer de derde voldoet aan de vordering van de invorderingsambtenaar, maar later blijkt dat hij niets of een geringer bedrag aan de belastingschuldige is verschuldigd, kan de derde tegen de invorderingsambtenaar een vordering uit onverschuldigde betaling instellen. Aan de afwikkeling van een dergelijke vordering wordt zoveel mogelijk medewerking verleend, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat niet méér op de door de invorderingsambtenaar jegens de derde gedane vordering is betaald dan de derde uiteindelijk aan de belastingschuldige verschuldigd is. Als aan de vordering uit onverschuldigde betaling van de derde wordt voldaan, wordt de belastingaanslag terzake waarvan de vordering ex artikel 19 van de wet jegens de derde is gedaan, geacht in zoverre niet te zijn voldaan. De invorderingsambtenaar kan de invordering van die belastingaanslag dan ook hervatten alsof er geen vordering ex artikel 19 was gedaan. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag 11 Wanneer een derde op vordering van de invorderingsambtenaar betaalt en naderhand wordt de belastingaanslag verminderd of vernietigd wordt de hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of terugbetaald aan de belastingschuldige. Aan de derde zal geen terugbetaling plaatshebben, omdat de derde jegens de belastingschuldige is gekweten en dus geen partij meer is. § 2 De faillissementsvordering Aan te melden schulden 1 In een faillissement vallen de belastingschulden (alsook invorderingsrente) voor zover zij materieel zijn ontstaan, vóór de dag van de faillietverklaring. Hieruit volgt dat in het faillissement moeten worden geverifieerd de bedragen die tot aan de dag van de faillietverklaring geacht kunnen worden verschuldigd te zijn, terwijl de nadien verschuldigd geworden bedragen in beginsel als boedelschuld worden aangemeld. Omdat een ander standpunt tot welhaast onoverkomelijke moeilijkheden zou leiden, kan bij de splitsing van een belastingaanslag worden uitgegaan van een toerekening naar tijdsgelang. Wanneer een belastingaanslag is gesplitst worden voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld en het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt twee aparte vorderingen gedaan. Omdat het vorenstaande betrekking heeft op de materiële belastingschuld is het niet van belang of de schuld is belichaamd in een voorlopige, definitieve, navorderings- of naheffingsaanslag, terwijl evenmin de dagtekening ter zake doet. Wel wordt er zo veel mogelijk voor gezorgd, dat de belastingaanslagen - als het juiste bedrag nog niet kan worden bepaald zo nodig in de vorm van een voorlopige of een nadere voorlopige belastingaanslag - op een zodanig tijdstip tot stand komen, dat indiening ter verificatie tijdig kan plaatshebben. Voor de vraag of een bestuurlijke boete in een faillissement valt, is uitsluitend van belang de dagtekening van de desbetreffende beschikking. Indien die beschikking is gedagtekend voor het faillissement, kan de boete in het faillissement worden aangemeld. Ligt de dagtekening na uitspraak van het faillissement, ook al heeft de boete betrekking op een situatie van vóór het faillissement, dan kan de boete niet meer in het faillissement worden aangemeld. Surséance van betaling 2 Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een aan het faillissement voorafgaande surséance van betaling kunnen op grond van artikel 249 Fw worden beschouwd als boedelschulden in het faillissement. Het bepaalde in het vorige lid is op deze schulden en de hierop betrekking hebbende belastingaanslagen mutatis mutandis van toepassing. Opkomen in faillissement 3 Voor de in het faillissement vallende belastingschulden waarvoor artikel 19 van de wet geldt, komt de invorderingsambtenaar op door het doen van een vordering aan de curator op de voet van het tweede lid van dat artikel. Belastingschulden van minder dan € 250 worden niet aangemeld. Het doen van de vordering geschiedt aldus dat het voor de curator bestemde formulier wordt toegezonden onder bijvoeging van een ontvangstbewijs dat in een bijgevoegde envelop kan worden teruggezonden. Als de vordering wordt gedaan voor het verstrijken van de in artikel 127 Fw bedoelde termijn wordt aan de vordering toegevoegd dat de daarin omschreven schuld mede ter verificatie wordt aangemeld. Van de bevoegdheid om van de curator dadelijk voldoening aan de vordering te verlangen wordt, tenzij bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe noodzaken, geen gebruikgemaakt. Voor in het faillissement vallende belastingschulden waarvoor artikel 19 van de wet niet geldt, doet de invorderingsambtenaar een vordering op grond van de bepalingen van de Faillissementswet. Als tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden, die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan wendt de invorderingsambtenaar zich in beginsel eerst tot de curator teneinde langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de invorderingsambtenaar zich met zijn grieven tot de rechtercommissaris. In het uiterste geval kan rechtstreeks verhaal worden gezocht op de boedel. § 3 Vorderingen met betrekking tot periodieke betalingen Overwegen van een vordering 1 Bij de beoordeling van de vraag of een vordering met betrekking tot een periodieke betaling zal worden gedaan, komt een doorslaggevende rol toe aan het feit dat de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd. Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Wanneer het de invordering van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te beproeven alvorens de derde via de vordering bij de invordering te betrekken. Beslagvrije voet 2 Voor de meeste periodieke betalingen bestaat er een uniforme regeling voor de beslagvrije voet die in aanmerking moet worden genomen wanneer beslag is gelegd op die betalingen. Deze regeling, die is opgenomen in artikel 475b e.v. Rv, geldt ook als een vordering wordt gedaan. Bij een vordering voor een periodieke betaling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet valt onder de vordering slechts dat deel van de periodieke betaling dat de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475b e.v. Rv overtreft. Hetzelfde geldt bij een vordering voor bezoldigingen als bedoeld in artikel 115 Ambtenarenwet. De voor de bepaling van de beslagvrije voet relevante bedragen, de normen in het kader van de studiefinanciering en de normen in het kader van de huurtoeslag zijn vermeld in de bijlagen 1a tot en met 1c. Als een vordering wordt gedaan voor periodieke betalingen die niet vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid (en waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze betalingen, dan past de invorderingsambtenaar de artikelen 475b en 475d Rv toe. In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij de vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland woont of vast verblijft. Verplichting belastingschuldige tot gegevensverstrekking 3 De belastingschuldige is op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv verplicht aan de belastingdeurwaarder, als laatstgenoemde in het bezit is van een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven. De belastingschuldige kan ook op grond van artikel 58 van de wet worden verplicht deze gegevens te verstrekken. Als hij de gegevens omtrent het inkomen van zijn partner niet verstrekt wordt de beslagvrije voet gesteld op 45% van de bijstandsnorm. Wanneer de belastingschuldige naderhand deze gegevens alsnog verstrekt en de beslagvrije voet dientengevolge dient te worden verhoogd, is aan deze verhoging geen terugwerkende kracht verbonden aangezien er geen sprake is van een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 475d, vierde lid. Rv. Belastingschuldige woont in buitenland 3a Indien de belastingschuldige in het buitenland woont en uit Nederland een periodieke uitkering geniet die in het woonland belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting, wordt op verzoek van belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt met de in het woonland over die uitkering verschuldigde belasting. De belastingschuldige dient bij zijn verzoek gegevens te overleggen waaruit van deze belasting blijkt. Wijziging beslagvrije voet 4 Als de beslagvrije voet wijzigt, geeft de invorderingsambtenaar aan de derde de nieuwe beslagvrije voet op. Daarbij geeft hij tevens aan vanaf welke datum met de nieuwe beslagvrije voet rekening moet worden gehouden. Deze wijziging is een beschikking in de zin van de Awb en wordt bekend gemaakt aan de derde door toezending van een brief. Als bij de derde voor meer belastingschuldigen een vordering loopt, terwijl ook voor meer van die belastingschuldigen de beslagvrije voet wijzigt, hoeft de invorderingsambtenaar de derde hiervan niet door middel van afzonderlijke brieven in kennis te stellen. De derde kan worden ingelicht door middel van één brief, mits uit deze brief voor de derde zonder meer duidelijk is voor welke belastingschuldigen welke nieuwe beslagvrije voet gaat gelden en met ingang van wanneer. Gegevensverstrekking door de derde 5 Voor de wijze waarop de vordering wordt gedaan, wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 19, § 1, vierde lid, van deze Leidraad. De invorderingsambtenaar stimuleert zoveel mogelijk dat de ontvangst van de vordering schriftelijk wordt bevestigd onder opgaaf van de hoogte van de periodieke betaling, het tijdvak waarop de periodiciteit betrekking heeft, het per betaling in te houden bedrag en de datum, waarop voor de eerste maal inhouding zal worden toegepast. Als de invorderingsambtenaar dat wenselijk acht kan van toezending worden afgezien en wordt de vordering door de belastingdeurwaarder betekend. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet 1929 6 Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet vanwege de gemeente geschiedt door aan salarisadministratie verrekening te vragen volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en tegelijkertijd, doch subsidiair, door een vordering te doen. Bij de beslissing tot het doen van een verzoek om verrekening onderscheidenlijk een vordering is het bepaalde in het eerste lid van deze paragraaf onverkort van toepassing. De autoriteit aan wie het desbetreffende formulier - dat tevens enige nadere aanwijzingen omtrent de te verrekenen bedragen bevat - wordt gezonden, bepaalt welk middel van verhaal zal worden toegepast. Als voor de (periodieke) inkomsten waarop verhaal wordt gezocht geen vordering kan worden gedaan, wordt uitsluitend verrekening gevraagd. Met betrekking tot (periodieke) inkomsten waarop noch door verrekening noch door middel van een vordering verhaal van belasting kan plaatshebben, kan de onderwerpelijke regeling uiteraard geen toepassing vinden. Periodieke betalingen onder de bijstandsnorm 7 Ingeval van periodieke betalingen die lager zijn dan de bijstandsnorm vanwege het feit dat naast deze betaling de betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de bijstandsnorm wordt geacht te betalen, wordt de beslagvrije voet die voor betrokkene geldt verminderd met het bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden toegerekend. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf 7a Nagegaan dient te worden wat de periodieke inkomsten van de belastingschuldige en zijn partner per maand zijn. De belastingschuldige is verplicht zowel zijn inkomsten als die van zijn gezinsleden op te geven. Vergelijk in dit verband artikel 475g Rv. Komen die gezamenlijke inkomsten uit boven de beslagvrije voet, dan wordt onder de werkgever of uitkeringsinstantie van de belastingschuldige een vordering gedaan, waarbij, rekening houdende met de regeling van de beslagvrije voet, wordt aangegeven welk bedrag maandelijks dient te worden ingehouden. Indien de belastingschudige weigert informatie te verschaffen over het inkomen van zijn partner wordt de beslagvrije voet gehalveerd. Artikel 20 Naar de inhoud
Een dwangbevel kan bij rechterlijk vonnis ten uitvoer worden gelegd door lijfsdwang overeenkomstig de artikelen 585 tot en met 600 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het geding daartoe wordt gevoerd voor de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is gevestigd van de invorderingsambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd. Voor de toepassing van artikel 585, onder a, treedt voor de aldaar bedoelde vonnissen en beschikkingen in de plaats het dwangbevel.
Met betrekking tot belastingaanslagen die zijn verschuldigd door lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, kan lijfsdwang worden toegepast ten aanzien van bestuurders of vereffenaars van die lichamen of, bij ontstentenis, ten aanzien van de laatst afgetreden of ontslagen bestuurders of vereffenaars, tenzij het niet aan hen te wijten is dat de belasting niet is voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 249 van de Gemeentewet blijft dit artikel buiten toepassing voor gemeenten.
Hoofdstuk XVII
Artikel 250
Gemeentewet
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2006
Verwijzingen
- artikel 10
- artikel 9
- artikel 9
- artikel 10
- artikel 10
- artikel 10
- artikel 67a
- artikel 145 van de Gemeentewet
- artikel 15
- artikel 10
- artikel 10
- artikel 15
- artikel 19
- artikel 2
- artikel 9
- artikel 10
- artikel 67b
- artikel 10
- artikel 2
- artikel 10
- artikel 438 Rv
- artikel 506 Rv
- artikel 52
- artikel 444 Rv
- artikel 507
- artikel 3
- artikel 479 Rv
- artikel 475g
- artikel 6
- artikel 17
- artikel 435
- artikel 27
- artikel 446 Rv
- artikel 17
- artikel 475c Rv
- artikel 19
- artikel 438 Rv
- artikel 479 Rv
- artikel 10
- artikel 456
- artikel 3
- artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- artikel 9
- art. 44a
- artikel 507a Rv
- artikel 19
- artikel 15
- artikel 502
- artikel 14
- artikel 53
- artikel 475a
- artikel 19
- artikel 456
- artikel 475g Rv
- artikel 14
- artikel 22
- artikel 10
- artikel 4
- artikel 127 Fw
- artikel 439
- artikel 14
- artikel 475b
- artikel 8
- artikel 19
- artikel 444 Rv
- artikel 3
- artikel 10
- artikel 435
- artikel 438
- artikel 438 Rv
- artikel 439
- artikel 435
- artikel 435 Rv
- artikel 13
- artikel 19
- artikel 475b
- artikel 475
- artikel 585
- artikel 6
- artikel 14
- artikel 10
- artikel 47 Rv
- artikel 438 Rv
- artikel 162 Sv
- artikel 19
- Artikel 18
- artikel 476 Rv
- artikel 25
- artikel 8
- artikel 15
- artikel 19
- artikel 52
- artikel 475e
- artikel 563 Rv
- artikel 162 Sv
- artikel 461d Rv
- artikel 17
- artikel 7
- artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht
- artikel 47 Rv
- artikel 474 Rv
- artikel 9
- artikel 563
- artikel 475d
- artikel 462 Rv
- artikel 435
- artikel 25
- artikel 25
- artikel 19
- artikel 14
- artikel 445 Rv
- artikel 9
- artikel 198 Sr
- artikel 249 Fw
- artikel 94 Rv
- artikel 13
- artikel 19
- artikel 507
- artikel 446
- artikel 476
- artikel 15
- artikel 464
- artikel 13
- artikel 461d Rv
- artikel 475f Rv
- artikel 3
- artikel 249 van de Gemeentewet
- artikel 455a Rv
- artikel 10
- artikel 47
- artikel 25
- artikel 25
- artikel 3
- artikel 737 Rv
- artikel 19
- artikel 462 Rv
- artikel 15
- Artikel 431a Rv
- artikel 438 Rv
- artikel 13
- artikel 10
- artikel 198 Sr
- artikel 22
- artikel 3
- artikel 64