Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke
belastingen en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in
artikel 1 van de Invorderingswet 1990.
1.1.Inleiding
Voor u ligt de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen. Deze
Leidraad vervangt de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen
gemeente Epe van 16 februari 2005.
Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk (hierna:
Rijksleidraad) bevat de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen
enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. Dit is het
grote verschil tussen de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ Leidraad. In de Leidraad
zijn enkele inhoudelijke wijzigingen verwerkt. Deze zijn in de bijlage
bij de beslisnota toegelicht.
Bij de opmaak van de gemeentelijke leidraad is aansluiting gezocht bij
de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk
hebben wij bepalingen toegevoegd of aangepast aan de gemeentelijke
situatie.
Opzet van de Leidraad
Voor de indeling in artikelen en subartikelen is aangesloten bij
Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990 en
onderdelen van de Rijksleidraad treft u echter niet aan. Reden hiervoor
is dat deze onderdelen en artikelen niet van toepassing zijn voor de
gemeente. Bij diverse artikelen en onderdelen treft u dan ook de
opmerking aan: ‘Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente’.
Dit hebben wij gedaan om de nummering van de originele Rijksleidraad
niet te veranderen. De (halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie
van Financiën kunnen dan sneller gevonden en veranderd worden.
Vanwege de leesbaarheid gebruiken wij in deze leidraad het begrip
‘ontvanger’ in plaats van de wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast
met de invordering van gemeentelijke belastingen’. Om dezelfde reden
wordt in deze leidraad het begrip ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de
wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van
gemeentelijke belastingen’. In de andere gevallen hebben wij gekozen
voor de directe vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de
lokale benamingen.
Wie stelt de Leidraad binnen de gemeente vast?
Uit de wet blijkt niet wie binnen de gemeente de Leidraad moet
vaststellen. De Rijksleidraad is vastgesteld door de staatssecretaris
van Financiën. Het betreft hier een bevoegdheid die intern door de
minister aan de staatssecretaris is overgedragen. Met de
inwerkingtreding van de aanpassingswetgeving derde tranche Algemene wet
bestuursrecht (1 januari 1998) wordt ‘de minister’ in de Gemeentewet
vertaald met 'het college'. Wij stellen ons op het standpunt dat de
Leidraad invordering gemeentelijke belastingen ertoe strekt het
invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De Leidraad moet
als zodanig worden vastgesteld door hetzij degene aan wie de bevoegdheid
is geattribueerd, dat is de gemeenteambtenaar belast met de invordering
van gemeentelijke belastingen (artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van
de Gemeentewet), hetzij degene onder wiens bestuursverantwoordelijkheid
de bevoegdheid wordt uitgeoefend. De vraag in dit verband is of het
college bestuursverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de
invordering of de gemeenteraad. Voor de gemeenteraad pleit dat dit
orgaan de regels vaststelt (de organisatieverordening) op grond waarvan
de aanwijzing van de gemeenteambtenaar belast met de invordering van
gemeentelijke belastingen moet plaatsvinden.
De daadwerkelijke benoeming van de betrokken ambtenaar vindt echter
plaats door het college. Gelet op het voorgaande zouden zowel de
gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke
belastingen, het college als de gemeenteraad bevoegd zijn tot het
vaststellen van beleidsregels betreffende de invordering. Wel zouden
deze regels naar de mate waarin de afstand tot de uitvoering groter is,
zich meer moeten beperken tot algemene aanwijzingen en algemene
instructies. Alles afwegend gaat onze voorkeur uit naar het college als
het bestuursorgaan dat de Leidraad vaststelt.
1.1.1.Lijst met gebruikte afkortingen
Afkorting
Omschrijving
Awb
Algemene wet bestuursrecht
Awir
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AWR
Algemene wet inzake rijksbelastingen
BW
Burgerlijk Wetboek
FW
Faillissementswet
MSNP
minnelijke schuldsanering natuurlijke personen
Rv
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Sr
Wetboek van Strafrecht
Sv
Wetboek van Strafvordering
WSF
Wet Studiefinanciering 2000
WSNP
wettelijke schuldsanering natuurlijke personen
Pw
Participatiewet
1.1.2.Definities
belasting(en): belastingen die door de gemeente worden
geheven;
belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen
gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van
de Gemeentewet;
besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet
1990;
college:het college van burgemeester en wethouders van
de gemeente;
echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Pw
inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231,
tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de
ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de inspecteur;
ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft
of zelfstandig een beroep uitoefent;
ontvanger: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231,
tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet, met inbegrip van de
ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de ontvanger;
particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer
wordt aangemerkt;
regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;
wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van
rijksbelastingen (Invorderingswet 1990).
Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde
verstaan als de wet daaronder verstaat.
1.1.3.Reikwijdte beleidsvoorschriften
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
1.1.4.Aansprakelijkgestelden en andere derden
De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere
derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de
invordering met betrekking tot belastingschuldigen.
Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden
en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de
toepasselijkheid van die voorschriften te beperken.
1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Bij de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming
met de Awb, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met
4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1
Awb niet van toepassing zijn op de wet.
Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de
mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de
regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag
geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af
te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14
en 4:15 Awb).
Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van
maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk
overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij
administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken
en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel
7:24 Awb).
Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet
voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel
4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de
dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:
- bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in
artikel 30, eerste lid, van de wet;
- bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld
in artikel 49, eerste lid, van de wet;
- bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
de Kostenwet invordering rijksbelastingen; en
Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is
artikel 4:84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken
van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is
gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer
belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere
omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de
leidraad dient.
Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het
afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van
het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk
bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de
leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit
criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld
in artikel 3:4 Awb.
Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de
ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke
handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent
onder meer dat als de belastingschuldige aannemelijk heeft gemaakt dat
er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk
geworden belastingaanslag, de ontvanger desgevraagd de belastingaanslag
marginaal toetst. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een
belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht,
neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen
invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet
alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel,
maar ook de verrekening met belastingteruggaven begrepen. Genomen
invorderingsmaatregelen draait de ontvanger zoveel mogelijk terug.
Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot
feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot
invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is
gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een
belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek
daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is
bekendgemaakt.
1.1.6.Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen
Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de
eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de
voorkeur.
1.1.7.Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven
Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het
voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig
werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder
een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar
behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep.
Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de
ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel
onwetend blijven.
De ontvanger vraagt altijd toestemming als:
- met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de
activa van het bedrijf wordt beoogd;
- door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of
nagenoeg geheel worden vastgelegd;
- derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het
geval is bij derdenbeslag;
- de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent
openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als
steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die
schuldeiser.
1.1.8.Voor de invordering minder geschikte dagen
Onverminderd het bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en
onderdeel e, en artikel 18 van de wet doet de deurwaarder geen exploten
of verricht geen executiehandelingen tussen 20.00 uur ’s avonds en 07.00
uur ’s ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende feestdag,
behalve na een daartoe strekkend verlof van de voorzieningenrechter. In
aanvulling hierop geldt dat de ontvanger geen invorderingsmaatregelen
treft op Goede Vrijdag.
De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren
op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die
maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden
verschoven.
Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is
van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot
de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als
de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid
van de wet terstond invordert.
Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:
- landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met
inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag
- de dagen tussen Kerst en Nieuwjaar
1.1.9.Binnenkomst van bescheiden
Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn
verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van
binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de
gemeente.
Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen
heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze
gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er
redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder
dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen
in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs
civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden.
1.1.10.Positie belastingdeurwaarder
Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen
ambtenaar van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de
gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is
de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel
handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de
ontvanger).
Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt
zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid
is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen
niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die
handelingen dient.
Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in
welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op
grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden
om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt
meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in
verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering
van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting.
De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger.
Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die
hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de
ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die
bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen.
Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in
te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem
of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn
ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens
opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder
werkzaam is.
1.1.11.Bewaren invorderingsbescheiden
De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de
invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het
recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten
grondslag ligt nog niet is verjaard.
De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende
ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel
langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun
belang definitief hebben verloren.
Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde
belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar
bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden
aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.
1.1.12.Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen
Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de
ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen
of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger
is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het
verleden - voor wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben
voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden
vermelden.
De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige
of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de
belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan
heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd
is.
1.1.13.Informatieplicht
De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet
enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is
betaald binnen de betalingstermijn(en) die voor de belastingaanslag
gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling
plaatsvindt.
De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk
VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan
komen.
1.1.14.Diplomatieke status
De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke
status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken.
De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot:
Ministerie van Buitenlandse Zaken
Directie Kabinet en Protocol
Postbus 20061
2500 EB 's-Gravenhage
1.2.Toepassingsgebied
Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het
toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel
van de Awb niet van toepassing is op de wet.
De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb (zie
ook artikel 1.1.5 van deze leidraad).
Artikel 1
Inleiding en toepassingsgebied
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen