1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 3 en
de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van
de gemeente waarin de bouwstoffen worden toegepast het bevoegd gezag ten opzichte van
degene die een bouwstof toepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder
oppervlaktewater.
2. Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder
oppervlaktewater, binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is
aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2
van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de
vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting te
verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat andere orgaan het bevoegd gezag, tenzij er sprake
is van een toepassing als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet.
3. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een
bouwstof toepast in oppervlaktewater.
4. Onze Minister is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die de handelingen,
genoemd in artikel 28, eerste lid, aanhef, verricht, met uitzondering van het toepassen van
bouwstoffen.